direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Gever 1, Haaren
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Gever 1, Haaren" van de gemeente Oisterwijk.

De woning met de bijbehorende gronden aan Gever 1 in Haaren is al zo'n vijftig jaar in bezit van de familie Gijtenbeek. Enkele jaren geleden zijn de woning en gronden van vader en moeder overgegaan op een van de zoons, de initiatiefnemer. Er is reeds besloten dat de woning van generatie op generatie doorgegeven zal worden en zo het 'stamhuis' voor de hele familie zal worden. De ouders van de initiatiefnemer hebben aangegeven uiteindelijk graag op de gronden bij de woning begraven te willen worden. Een familiebegraafplaats is het ideaalbeeld voor bij het 'stamhuis'. De initiatiefnemer wil derhalve een bijzondere particuliere begraafplaats realiseren op een deel van de percelen.

Het initiatief is niet realiseerbaar op basis van het vigerende bestemmingsplan. De gemeente Oisterwijk heeft te kennen gegeven in principe te willen meewerken aan het initiatief door middel van de herziening van het bestemmingsplan.

Gemeentelijke herindeling

Het plangebied viel tot 1 januari 2021 binnen de grenzen van de gemeente Haaren. Door een gemeentelijke herindeling is deze gemeente echter opgedeeld in enkele buurgemeenten. Dit deel van het Haarense grondgebied is toegevoegd aan het grondgebied van de gemeente Oisterwijk. In voorliggend bestemmingsplan is het plan zoveel mogelijk beschreven aan de hand van het Oisterwijkse beleid. In verband met de zeer recente herindeling heeft de gemeente Oisterwijk het nieuwe grondgebied echter nog niet opgenomen in ruimtelijke beleidsstukken, zoals de structuurvisie. Om die reden is op dergelijk concrete beleidskaders nog getoetst aan het beleid van de gemeente Haaren.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Haaren, sectie E, nummers 4112 (gedeeltelijk), 5211 (gedeeltelijk) en 5212.

De feitelijke begraafplaats heeft een oppervlakte van circa 145 m². De gronden met een straal van circa 30 meter rondom de feitelijke begraafplaats zijn in dit bestemmingsplan opgenomen ter bescherming van de begraafplaats. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt derhalve circa 4.910 m². Alle gronden zijn eigendom van de initiatiefnemer. Ook het aangrenzende perceel E2985 is in eigendom van de initiatiefnemer. Deze maakt echter geen deel uit van de gronden waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, correctieve herziening" vastgesteld door de gemeenteraad van Haaren op 11 september 2014. Deze correctieve herziening is opgesteld in verband met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State (ABRvS) op het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren" en enkele veranderingen van inzicht ten opzichte van het moederplan. Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante wijzigingen ten opzichte van het moederplan. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding van het moederplan "Bestemmingsplan Haaren". De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN "BUITENGEBIED HAAREN"

Daarnaast is op 24 september 2020 het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" door de gemeenteraad van Haaren vastgesteld. Dit bestemmingsplan betreft een actualisatie op onder andere het bestemmingplan "Buitengebied Haaren, correctieve herziening" en is bedoeld om bestaand provinciaal en gemeentelijk beleid te verwerken. Dit betekent een aanscherping van de geldende regeling in het bestemmingsplan. Voor onderhavig plangebied zijn enkele relatief kleine wijzigingen van toepassing. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020". De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0004.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN "BUITENGEBIED, HERZIENING 2020"

Agrarisch

Het plangebied ligt voor het grootste deel binnen de bestemming 'Agrarisch'. De noordoostelijke strook ligt binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en Natuurwaarden 1'. Deze gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, het behoud en herstel van bestaande landschapselementen en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals fiets- en voetpaden en picknickplaatsen. Ter plaatse van het plangebied vigeert geen bouwvlak, gebouwen zijn derhalve niet toegestaan. Binnen deze bestemming is het gebruik van de gronden als begraafplaats niet toegestaan.

Waarde - Archeologie 2

Tevens geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hier geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstorende activiteiten (zoals het aanleggen van graven) met een oppervlakte van 100 m² én een diepte onder maaiveld van 0,50 m of meer. In paragraaf 5.2.1 is nader ingegaan op dit aspect en de doorwerking daarvan in dit bestemmingsplan.

Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone

Tevens geldt voor het hele plangebied de dubbelbestemming 'Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone', of conform het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020" de aanduiding 'overige zone - attentiezone waterhuishouding'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel (of conform het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020": voor bescherming van de waterhuishouding en het voorkomen van functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant). In paragraaf 5.3 is nader ingegaan op dit aspect en de doorwerking daarvan in dit bestemmingsplan.

Gebiedsaanduidingen

Verder gelden voor dit plangebied de volgende gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan "Buitengebied Haaren, correctieve herziening:

  • 'boomteeltontwikkelingsgebied';
  • 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'.

En in het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 2020":

  • 'ambtshalve wijziging';
  • 'beperkingen veehouderij';
  • 'gemengd landelijk gebied';
  • 'Natuur Netwerk Brabant';
  • 'stalderingsgebied'.

Deze aanduidingen bevatten geen relevante regels voor onderhavige ontwikkeling.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om deze reden wordt een procedure voor de herziening van het bestemmingsplan doorlopen.

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding en foto's geven de ligging van het plangebied in de omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0005.jpg"

LUCHTFOTO

Het plangebied ligt in het buitengebied tussen Haaren en Oisterwijk. Dit buitengebied kenmerkt zich door een halfopen landschapsstructuur met lanen en houtsingels die groene kamers vormen. Het agrarische grondgebruik binnen deze kamers is verschillend, maar het gebied staat met name om de boomteelt bekend. Het gebied Gever ligt op een dekzandrug en is ingeklemd tussen twee waterlopen: de 'Voorste Stroom' aan de zuidzijde en het 'Geverts Waterloopje' ten noorden ervan. Het betreft een oud ontginningenlandschap met een kleinschalige en afwisselende verkaveling. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede uit de Actuele Hoogtekaart Nederland (AHN) weer. Het plangebied is daarop aangegeven. Op deze afbeelding is duidelijk te zien dat de geplande begraafplaats op een plaatselijke hoogte ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0006.jpg"

ACTUELE HOOGTEKAART NEDERLAND (WWW.AHN.NL)

Op basis van de watertoetskaart van het waterschap De Dommel is te zien dat het plangebied ligt op een droger gelegen locatie, namelijk tussen een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 60-80 en 80-100 cm onder maaiveld. Een en ander zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. In dit geval is uitgegaan van de worst-case, te weten een GHG van 60 cm onder maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0007.jpg"

GEMIDDELD HOOGSTE GRONDWATERSTAND (GHG) (BRON: WATERSCHAP DE DOMMEL)

Het plangebied is onderdeel van het eeuwenoude bebouwingscluster Gever. Ten zuiden en westen staan enkele woningen en op het adres Oisterwijksedreef 12 is een horecagelegenheid.

Binnen het woonperceel staat een woonboerderij met twee bijgebouwen (een Vlaamse schuur en een voormalige hooimijt). Rondom de woning en deze bijgebouwen is het perceel ingericht als tuin. Daaromheen liggen agrarische gronden die momenteel in gebruik zijn als (schapen)weide met schuur. De initiatiefnemer heeft al veel landschappelijke impulsen aan de gronden gegeven door de aanplant van een aantal fruitbomen en de aanleg van een amfibieënpoel. Het terrein van de initiatiefnemer is omzoomd door historische houtsingels. In de luwte van een van deze houtsingels, ten noorden van de woning, heeft de initiatiefnemer een zitplek gecreëerd. Deze zitplek wordt regelmatig bezocht door de ouders van de initiatiefnemer, die hier een klein perceel (E5212) in eigendom hebben en recht van overpad hebben over de percelen van de initiatiefnemer. Nabij deze zitplek met bijzondere betekenis wil de initiatiefnemer graag de begraafplaats realiseren. Het terrein is hier in gebruik als grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0008.jpg"

ZITPLEK IN DE LUWTE VAN DE HOUTSINGEL

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0009.jpg"

ZICHT VANAF DE ZITPLEK OP DE BOOMGAARD EN WONING

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen.

3.1 Begraafplaats

De initiatiefnemers willen op eigen terrein een kleine begraafplaats aan leggen. Zij hebben daarvoor de locatie in de noordhoek van het perceel 5211, direct bij de zitplek, en het gehele perceel 5212 voor ogen. Deze locatie voldoet aan de voorwaarden voor een begraafplaats zoals gesteld in de technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven (VNG, 16 september 2014), waaraan nader is getoetst in paragraaf 4.4. De inrichtingsschets is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting. De oppervlakte van de begraafplaats bedraagt circa 145 m².

Een van de voorwaarden conform de technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven (VNG, 16 september 2014) is dat 'de afstand tot een graf tot de openbare weg, erfgrens met derden, woning, gebouw met woonbestemming of een als woonruimte in gebruik zijnd gebouw hemelsbreed 30 meter bedraagt'. Om deze reden is in dit bestemmingsplan op een afstand van 30 meter een ruit met de bestemming 'Natuur' opgenomen. Zodoende is publieksrechtelijk gewaarborgd dat op deze gronden geen voor de begraafplaats belemmerende functies mogen worden gerealiseerd. Het totale plangebied van voorliggend bestemmingsplan komt daarmee op circa 4.910 m².

3.1.1 Locatie

De initiatiefnemer heeft gekozen voor deze locatie om een aantal redenen:

  • deze specifieke locatie heeft voor de initiatiefnemer een bijzondere betekenis vanwege het eigendom van de ouders van de initiatiefnemer en de hierbij gecreëerde zitplek;
  • de locatie ligt op een natuurlijke hoogte, waardoor het grondwater hier wat lager zal staan dan ter plaatse van de gronden direct rondom de woning, te weten tot circa 60 cm onder maaiveld;
  • de locatie ligt in een hoek die aan twee zijden is omgeven door een stevige houtsingel waarmee zowel natuurlijke beschutting als een landschappelijke inpassing is;
  • de locatie ligt op voldoende afstand van de eigen woning en woningen van derden, zonder vanuit de eigen woning het zicht op de begraafplaats volledig te verliezen;
  • er zijn geen ruimtelijke en planologische belemmeringen op deze locatie voor het realiseren van de begraafplaats.
3.1.2 Fysieke inrichting

Het plan biedt ruimte aan maximaal zes graven. De graven zelf worden gesitueerd langs de bestaande houtsingels die de begraafplaats aan de noordwest- en noordoostzijde begrenzen. De bestaande zitplek vormt het centrale punt op de begraafplaats met aan weerszijden (ruimte voor) maximaal drie graven.

De graven moeten voldoende afstand tot het grondwater te hebben, zodat het proces van lijkvertering niet wordt verstoord en er sprake is van voldoende geohydrologische scheiding met het grondwatersysteem. Op basis van de Besluit op de lijkbezorging (Blb) is een minimale afstand van de onderkant van een graf tot de GHG van 30 cm vereist, zoals nader beschreven in paragraaf 4.4.2. Het grondwater staat op circa 60 cm onder maaiveld. De onderkant van de kist komt daarmee niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld te liggen. De Blb vereist tevens dat een kist met minimaal 65 cm aarde is afgedekt. Een standaardkist heeft een hoogte van circa 40 cm. Dat betekent dat een graf een minimale diepte heeft van 1,05 meter. Het huidige maaiveld moet, om te voldoen aan de technische eisen conform het Blb, met minimaal zo'n 75 cm worden opgehoogd. Een en ander leidt er derhalve toe dat op deze locatie sprake is van lage grafheuvels. Een en ander zoals weergegeven op onderstaand principeprofiel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0010.jpg"

PRINCIPEPROFIEL BEGRAAFPLAATS

Er wordt geen nieuwe bebouwing aangebracht. De terreinverharding beperkt zich tot een zeer beperkte (half)open elementverharding ter plaatse van de zitplek.

Het initiatief betreft een kleine particuliere begraafplaats. Er is derhalve geen extra parkeerbehoefte. Het aangrenzende terrein is bovendien groot genoeg om in eventuele parkeerbehoefte te voorzien. Er worden dan ook geen parkeerplaatsen aangelegd.

3.2 Groen en water

Een begraafplaats moet conform de technische adviezen voor begraafplaatsen een landschappelijke afscherming hebben van minimaal 1,80 meter, zodat deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg of een openbaar toegankelijk perceel. De geplande begraafplaats ligt op ruime afstand van de weg Gever, namelijk circa 70 meter. Het zicht op de begraafplaats wordt aan de weg zelf al grotendeels weggenomen door opgaande erfbeplanting op de perceelgrens. Om ook gedurende de wintermaanden het directe zicht op de begraafplaats weg te nemen wordt een haag met een uiteindelijke uitgroeihoogte van circa 1,80 tot 2 meter gerealiseerd rondom de begraafplaats. Om de begraafplaats te markeren wordt een solitaire boom op de zuidelijke hoek geplant. Deze boom kan tevens als een symbolische herinneringsboom aan de overledene(n) gezien worden.

Alg gevolg van het initiatief worden geen bomen gekapt of andere opgaande beplantingen gerooid.

Als gevolg van het plan wordt geen extra oppervlaktewater gerealiseerd. Wel ligt het plangebied in een gebied dat in het vigerende bestemmingsplan is aangeduid als 'Overige zone - attentiezone waterhuishouding'. Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming van de waterhuishouding en het voorkomen van functies en activiteiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant (NNB). In paragraaf 5.3 is nader ingegaan op dit aspect en de doorwerking daarvan in dit bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de hydrologische instandhoudingsdoelen van het NNB.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland.

Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Gelet op de locatie van het plangebied en de aard van de ontwikkeling zijn geen regels uit het Barro of de Rarro op dit plan van toepassing.

Conclusie
De in de SVIR genoemde nationale belangen zijn niet in het geding.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Voorliggend initiatief betreft geen stedelijke ontwikkeling. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.1.4 Overig nationaal beleid

Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050).

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. Het plan voldoet aan deze basisopgave, zoals aangetoond in deze toelichting. De Omgevingsvisie Noord-Brabant is van een dergelijk globaal schaalniveau dat dit geen directe invloed op onderhavig initiatief heeft.

Conclusie
Het plan voldoet aan de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden.

De Interim Omgevingsverordening (IOV) heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies

Het plan is onderdeel van het landelijke gebied van de gemeente Oisterwijk en voorziet in het realiseren van een bijzondere begraafplaats op particuliere grond.

In artikel 3.73 van de IOV is het vestigen van een niet-agrarische functie (zoals een begraafplaats) op een bestaand bouwperceel onder de volgende voorwaarden toegestaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;
    • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.
  • b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
  • c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
  • d. de vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. een kantoor met baliefunctie;
    • 2. lawaaisport;
    • 3. mestbewerking.

ad a.   In paragraaf 4.3.1 is het plan getoetst aan de door de (voormalige) gemeente Haaren vastgestelde ontwikkelingsrichting; de Structuurvisie Haaren. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de geplande begraafplaats past binnen de ontwikkelingsrichting van dit buitengebied.
De begraafplaats is enkel bestemd voor particulier gebruik door de familie van de initiatiefnemer. Daarmee kunnen effecten op mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders worden uitgesloten. Voor de overige effecten op de omgeving als gevolg van het plan wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
Door het realiseren van de begraafplaats is sprake van een kleine versterking van de omgevingskwaliteit door het behoud van deze locatie als een in hoofdzaak landschappelijke plek.  
ad b.   Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel.  
ad c.   Er is geen sprake van overtollige bebouwing. Er wordt dan ook geen bebouwing gesloopt. Ook wordt geen bebouwing toegevoegd als gevolg van het plan.  
ad d.   De vestiging betreft een bijzondere begraafplaats op particuliere grond. Deze functie valt derhalve niet binnen de drie genoemde onwenselijke activiteiten.  
4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende gebiedskenmerken:

  • attentiezone waterhuishouding;
  • beperkingen veehouderij;
  • stalderingsgebied;
  • teeltondersteunende kassen.

Attentiezone waterhuishouding

Artikel 3.26 IOV stelt regels aan ruimtelijke ontwikkelingen ter bescherming van de hydrologische instandhoudingsdoelen van het nabij gelegen Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het NNB grenst aan de noordzijde van de geplande begraafplaats. Een strook met een breedte van circa 5 meter valt binnen voorliggend plangebied. In paragraaf 5.3 is nader beschreven dat er geen negatieve effecten zijn op de waterhuishouding als gevolg van het plan. Op 7 december 2020 heeft de provincie Noord-Brabant in een vooroverlegreactie laten weten dat de provinciale belangen niet in het geding zijn en dat het plan daarom geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen door de provincie.

Beperkingen veehouderij en Stalderingsgebied

Artikelen 3.51 en 3.52 IOV stellen regels aangaande de ontwikkeling van veehouderijen. Onderhavig plan omvat geen veehouderijen. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.

Teeltondersteunende kassen

Artikel 3.65 IOV geeft de mogelijkheid tot het bouwen van teeltondersteunende kassen (tot 1,5 hectare netto glas) wanneer dit voor de agrarische bedrijfsvoering binnen het bouwperceel noodzakelijk is. Onderhavig plan omvat geen agrarische bedrijfsvoering. Er hoeft derhalve geen nadere toetsing plaats te vinden.

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve wanneer er vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is. Het plan betreft een begraafplaats, waar rust en stilte belangrijke waarden zijn. Een locatie binnen het bebouwde erf is in dit geval juist niet wenselijk. Er is derhalve in dit geval sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Er heeft een zorgvuldige situering van de begraafplaats plaatsgevonden, waarbij rekening is gehouden met de landschappelijke structuur en de ondergrond.

Het plan leidt tot een versterking van het narratieve aspect van het landschap. Door de realisatie van de begraafplaats wordt een stuk historisch besef toegevoegd in dit agrarische gebruikslandschap. Er is daarmee tevens sprake van een waardecreatie.

Kwaliteitsverbetering landschap

Conform artikel 3.9 IOV moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Deze kwaliteitsverbetering is beschreven in paragraaf 4.3.2 waarin het plan aan de gemeentelijke 'Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap' wordt getoetst.

4.2.2.4 Conclusie

Het plan voldoet aan de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie Haaren

Door de gemeente Haaren is op 20 januari 2015 de Structuurvisie Haaren vastgesteld. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0011.jpg"

UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE

De structuurvisie gaat over het gehele grondgebied van de gemeente Haaren. De visie geeft de hoofdlijnen van het ruimtelijke beleid voor de komende 10 tot 20 jaar. De structuurvisie beschrijft de mogelijkheden voor woningbouw, bedrijven, recreatie en toerisme. Ook gaat de visie in op de toekomstperspectieven voor agrarische ontwikkeling, milieu, water, cultuurhistorie en verkeer.

Het plangebied ligt tussen twee beekdalen in het agrarische gebied dat is aangeduid met 'de groene kamers'. Kenmerkend voor het uitgestrekte gebied is de kleinschalige openheid ofwel het halfopen landschap met groene kamers. Deze groene kamers worden gevormd door de laanbeplantingen langs de wegen in dit deel van het buitengebied. Ze bieden een ruimtelijk casco, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden ingepast. De voorgenomen begraafplaats past binnen dit ruimtelijk casco. De structuurvisie doet verder geen uitspraken over bijzondere begraafplaatsen.

Het begrip 'omgevingskwaliteit' heeft betrekking op de kwaliteit van de bebouwde omgeving en de kwaliteit van het landschap in het buitengebied. Kenmerkend is de kleinschaligheid en daardoor de grote variatie in het landschap. In het Haarens Kwaliteitsmenu zijn de kenmerken van de 'Groene Kamers' beschreven. Kenmerkend is de kleinschalige openheid ofwel het halfopen landschap met groene kamers. Deze kamers worden gevormd door de laanbeplantingen langs de wegen en bieden een ruimtelijk casco, waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden ingepast. Binnen het casco is een verfijning met landschapselementen als houtwallen, bospercelen, boomteeltpercelen en erven met beplanting. De begraafplaats wordt landschappelijk ingepast door middel van hoge hagen en een solitaire boom, zie ook paragraaf 4.3.2. Deze inpassing versterkt het kleinschalige en diverse mozaïeklandschap van de gemeente en past binnen de groene kamerstructuur ten zuiden van Haaren. Hiermee wordt voldaan aan de basistaakstelling en beleidsuitgangspunten die de gemeente stelt in de Structuurvisie Haaren.

Conclusie

Het plan past binnen de kaders van de Structuurvisie Haaren.

4.3.2 Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied eist de Interim Omgevingsverordening in bepaalde gevallen een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, zie paragraaf 4.2.2 Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap. Aan de orde komen:

  • de benodigde investering;
  • de feitelijke tegenprestatie;
  • de zekerstelling van kwaliteitsverbetering.
4.3.2.1 Benodigde investering

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn in drie categorieën ingedeeld. Voorliggend initiatief betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een natuurbestemming ten behoeve van een kleine particuliere begraafplaats. Voorliggend initiatief is een zogenaamde categorie 1-ontwikkeling. In zo'n geval is op basis van de regionale 'Afspraken voor uitwerking en toepassing kwaliteitsverbetering van het landschap' geen inpassing of tegenprestatie nodig. Op basis van de inspectierichtlijn Lijkbezorging is echter wel een visuele landschappelijke inpassing / afscherming vereist.

4.3.2.2 Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing bestaat bij voorliggend plan uit de volgende elementen:

  • 1. het aanleggen en beheer van landschapselementen:
    • a. hagen met een hoogte van circa 2 meter;
    • b. een solitaire boom.

De hierboven beschreven landschapselementen zijn weergegeven op de als bijlage 1 opgenomen inrichtingsschets.

4.3.2.3 Zekerstelling kwaliteitsverbetering

De Interim Omgevingsverordening eist dat bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit is aangetoond dat de kwaliteitsverbetering van het landschap financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. De initiatiefnemer en de gemeente hebben daarom een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de aanleg en het beheer van de landschappelijke inpassing is vastgelegd. De volledige begraafplaats inclusief de landschappelijke inpassing zijn opgenomen in een natuurbestemming. Binnen deze bestemming is een voorwaardelijke verplichting opgenomen gekoppeld aan het gebruik van de gronden. Deze mogen niet worden gebruikt als de landschappelijke inpassing niet wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Hiermee wordt voldaan aan de criteria van de Interim Omgevingsverordening.

4.3.3 Overig gemeentelijk beleid

Het overige gemeentelijke beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.4 Beleid bijzondere begraafplaatsen op particulier terrein

4.4.1 Technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven

De gemeente Oisterwijk heeft geen eigen beleid voor bijzondere particuliere begraafplaatsen. Ook de gemeente Haaren, waartoe tot 1 januari 2021 de gronden hebben behoord, had geen eigen beleid hiervoor. Onderstaande randvoorwaarden zijn afgeleid uit de technische adviezen voor de inrichting van begraafplaatsen en graven (VNG, 16 september 2014) en de beleidsregels van andere gemeenten. Hoewel ze dus formeel geen (gemeentelijk) toetsingskader vormen wordt het initiatief wel hieraan getoetst in het kader van de goede ruimtelijke ordening.

  • 1. De aanvrager dient eigenaar van de grond te zijn, waarbij de grond niet is belast met een zakelijk recht.
    De aanvrager is tevens eigenaar van de percelen E2985, E4112 en E5211. Het perceel E5212 is in eigendom van de ouders van de aanvrager. Aangezien de ouders van de aanvrager hier uiteindelijk begraven zullen worden wordt dit niet als belemmering gezien. De percelen E5211 en E5212 zijn belast met een zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht op naam van Enexis Netbeheer N.V. Er is een KLIC-melding gedaan waaruit blijkt dat er binnen het plangebied geen kabels of leidingen liggen. In het kader van het wettelijke vooroverleg zal Enexis betrokken worden bij acoordering van voorliggend bestemmingsplan. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan.
  • 2. De totale oppervlakte van het perceel moet minimaal 10.000 m² bedragen.
    De oppervlakte van de percelen in eigendom van de aanvrager (inclusief het perceel van zijn ouders) is 21.565 m² (2,16 ha). Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan.
  • 3. De locatie mag niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied gelegen zijn.
    Het plangebied ligt niet binnen een 'grondwaterbeschermingsgebied'. Ook ligt het gebied niet binnen een 'waterwingebied', een 'boringsvrije zone', een 'regionale waterberging' of een 'reservering waterberging'. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

    NB. Wel ligt het gebied in de provinciale aanduiding 'attentiezone waterhuishouding', waarvoor in dit bestemmingsplan regels zijn opgenomen die strekken tot bescherming van de waterhuishouding en die functies en activiteiten uitsluit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Deze regels zijn met gemeente en het waterschap afgestemd. Dit vormt geen belemmering voor het initiatief.

  • 4. De locatie mag niet binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet gelegen zijn.
    Het plangebied ligt niet binnen de bebouwde kom, maar in het buitengebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • 5. Binnen een straal van 20 meter rondom de beoogde begraafplaats mogen zich geen kabels, leidingen of andere nutsvoorzieningen bevinden.
    Hiervoor is een KLIC-melding (oriëntatiemelding) uitgevoerd. Onder de gronden van de initiatiefnemer liggen geen kabels en leidingen van derden die een belemmering voor het initiatief vormen. De dichtstbijzijnde kabels en leidingen liggen onder de weg Gever, op circa 70 meter afstand van de geplande begraafplaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • 6. De bodemgesteldheid moet geschikt zijn of geschikt worden gemaakt voor het gebruik als begraafplaats.
    De bodem ter plaatse van de begraafplaats bestaat uit matig fijn siltig zand. Een zandbodem heeft door de samenstelling de meest geschikte condities voor een begraafplaats. Het proces van lijkvertering verloopt daarmee het meest optimaal. Daarnaast is uit een verkennend bodemonderzoek gebleken dat er geen bodemverontreiniging aanwezig is die het proces van lijkvertering kan verstoren. Zie hiervoor ook paragraaf 5.1.1. Aan deze voorwaarde is voldaan.
  • 7. Het grondwaterpeil moet voldoen aan de voorgeschreven eis.
    Het grondwaterpeil (GHG) ligt hier tussen 60 en 100 cm onder het maaiveld. Bij het ontwerp van de begraafplaats is uitgegaan van een worst-case van 60 cm onder maaiveld. De graven liggen minimaal 30 cm boven GHG. Een deel van het graf zal boven het huidige maaiveld worden gerealiseerd. Dit betekent dat er sprake is van een lage grafheuvel. Er wordt voldaan aan deze eis.
  • 8. Een geohydrologische scheiding is gewaarborgd.
    Alle graven komen minimaal 30 cm boven GHG te liggen. Gezien de hogere ligging van de begraafplaats valt niet te verwachten dat het grondwater veel zal stijgen. Na informele afstemming met waterschap De Dommel is geconcludeerd dat dit een voldoende geohydrologische scheiding is tussen de graven en het grond- en oppervlaktewater. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan.
  • 9. De afstand van enig graf op de bijzondere begraafplaats tot de openbare weg, erfgrens met derden, woning, gebouw met woonbestemming of een als woonruimte in gebruik zijnd gebouw bedraagt hemelsbreed minimaal 30 meter.
    De afstand van de begraafplaats tot de openbare weg (Gever) is circa 70 meter. De afstand tot de dichtstbijzijnde erfgrens met derden is circa 38 meter. Daarnaast ligt de begraafplaats op circa 68 meter afstand tot de woning. Om de begraafplaats te beschermen is een vlak van 70 x 70 meter opgenomen dat de bestemming 'Natuur' heeft. Hiermee kunnen deze gronden ook privaatrechtelijk en kadastraal bezwaard worden met de nodige verplichtingen. Aan deze voorwaarden wordt derhalve voldaan.
  • 10. De locatie dient voor het zicht vanaf een openbare weg of openbaar toegankelijk perceel visueel afgeschermd te worden met behulp van een natuurlijke, fysieke afscheiding met een hoogte van minimaal 1,80 meter die inpasbaar is in het landschap.
    Rondom de begraafplaats wordt een haag van 1,80 tot 2 meter gerealiseerd. Naast de bestaande erfbeplanting langs de openbare weg en de relatief grote afstand van circa 70 meter tot die weg, is hiermee sprake van een natuurlijke en fysieke afscheiding. In paragraaf 4.3.2 is beschreven hoe deze landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Er wordt voldaan aan deze voorwaarde.
  • 11. De aanvrager dient een aantoonbare historische, emotionele binding met de grond te hebben.
    De woning en de bijbehorende gronden zijn al circa 50 jaar in eigendom van de familie van de initiatiefnemer. De familie wil van deze woning graag de 'stamwoning' voor de hele familie maken en deze zo binnen de familie behouden. Hiermee is de historische en emotionele binding voldoende aangetoond. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • 12. Er moet worden aangetoond dat de gronden minimaal 10 jaar in beheer van de erfgenamen zullen blijven waardoor het behoud van het graf is verzekerd.
    De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer en zijn familie. Zij willen van de woning het 'stamhuis' voor de familie maken. De geplande begraafplaats draagt bij aan de binding die zij hebben met de locatie. Hiermee is voldoende verzekerd dat de gronden minimaal 10 jaar in beheer van de erfgenamen zullen blijven en is het behoud van de graven verzekerd.
4.4.2 Besluit op de lijkbezorging

Daarnaast zijn voor de inrichting van de begraafplaats zelf met name artikelen 5 en 6 van het Besluit op de lijkbezorging (Blb) van toepassing. Het voorliggende initiatief is hieronder aan deze regels getoetst.


"Artikel 5

  • 1. De afstand tussen de graven onderling bedraagt ten minste dertig centimeter.
    Met deze afstand is rekening gehouden in het ontwerp van de begraafplaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • 2. Boven de kist of het omhulsel bevindt zich een laag grond van ten minste vijfenzestig centimeter.
    Hiervoor wordt verwezen naar het principeprofiel van de begraafplaats in paragraaf 3.1.2. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
  • 3. Ten hoogste drie lijken mogen boven elkaar worden begraven, mits boven elke kist of elk omhulsel een laag grond van ten minste dertig centimeter dikte wordt aangebracht, die bij een volgende begraving niet mag worden geroerd. [...]
    Op de voorgenomen begraafplaats zullen geen lijken boven elkaar worden begraven. Dit is mede gezien de grondwaterstand niet realistisch. Deze voorwaarde is derhalve niet van toepassing.
  • 4. De graven bevinden zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand.
    Hiervoor wordt verwezen naar het principeprofiel van de begraafplaats in paragraaf 3.1.2. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Artikel 6

  • 1. De afstand van een graf tot de erfafscheiding van de begraafplaats bedraagt ten minste één meter."

Met deze afstand is rekening gehouden in het ontwerp van de begraafplaats. De begraafplaats ligt op circa 38 meter afstand van de perceelgrens met derden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Lankelma Geotechniek Zuid BV uit Middelbeers een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Gever 1 Haaren" (27 mei 2020, nr. 2001033). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2.

Lankelma concludeert het volgende:

  • De bodem bestaat tot de verkende diepte van 3,5 meter -mv overwegend uit matig fijn siltig zand.
  • In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem.
  • In het grondwater uit peilbuis B01 zijn analystisch licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink en xylenen en een matig verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Een nader bodemonderzoek wordt echter niet zinvol geacht.
  • Er zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen in de vrijkomende grond en op het maaiveld aangetroffen, na een indicatieve inspectie van het terrein.
  • De diepte van de grondwaterspiegel ligt op circa 1,7 meter -mv, zoals bemonsterd op 7 mei 2020.

Een nader bodemonderzoek is vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Middels het bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Omgevingstype

Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustig buitengebied. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer.

Invloed plan op de omgeving
Een algemene begraafplaats (SBI-code 96031-2) is in de VNG-handreiking opgenomen als een categorie 1-activiteit met een bepalende richtafstand van 10 meter voor het aspect 'geluid'. De richtafstanden voor de aspecten 'geur', 'stof' en 'gevaar' bedragen alle 0 meter. Deze aspecten resulteren bij een begraafplaats dus niet in een uitstraling naar buiten toe.

Binnen de richtafstand van 10 meter voor geluid bevinden zich geen milieugevoelige functies of activiteiten. Binnen deze richtafstand zijn zelfs geen gronden van derden gelegen. Het aspect 'geluid' vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

NB.   Bovendien wordt in dit specifieke geval gewezen op de particuliere grondslag van de begraafplaats en kan derhalve niet vergeleken worden met een reguliere openbare begraafplaats. Dat wil zeggen dat hier niet met regelmaat een ter aarde bestelling plaats vindt. De hinder als gevolg van dit initiatief zal aanzienlijk beperkter zijn.  

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Geluid

Een begraafplaats is geen geluidsgevoelig object (ABRvS 28 juli 2004, nr. 200304766/1). Er is derhalve geen wettelijke grondslag voor een formele geluidstoets. Wel is een begraafplaats verbonden met rust en stilte. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hier het geluidsaspect derhalve wel nader beschouwd.

De dichtstbijzijnde activiteit met emissie van geluid is het restaurant 'Het Boerderijtje' aan de Oisterwijksedreef 12, waarvoor een horecabestemming geldt. Voor een restaurant (SBI-code 561) geldt volgens de VNG-handreiking een richtafstand voor geluid van 10 meter. De afstand van de bestemming 'Horeca' tot de dichtstbijzijnde perceelgrens van de initiatiefnemer is al 44 meter. De begraafplaats zelf ligt op een afstand van circa 155 meter tot deze bestemming. De begraafplaats ligt derhalve ruim buiten de richtafstand. Het aspect 'geluid' vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

Geur

Ook is een begraafplaats geen geurgevoelig object op basis van de definitie van een 'geurgevoelig object' in de Wet geurhinder veehouderij (Wgv). Zie ook paragraaf 5.1.4. Het aspect 'geur' vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

Stof

Een begraafplaats wordt niet als gevoelige functie met betrekking tot het aspect 'stof' gezien. Zie ook paragraaf 5.1.6. Het aspect 'stof' vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

Gevaar

Een begraafplaats is geen (beperkt) gevoelig object conform artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Zie ook paragraaf 5.1.3. Het aspect 'gevaar' vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.


Er liggen derhalve geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten. Het plan betreft slechts het toevoegen van een particuliere begraafplaats. Bovendien is op de Risicokaart Nederland te zien dat in de omgeving van het plan geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd of buisleidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen zijn. Ook worden er met het plan geen nieuwe risicovolle activiteiten toegevoegd. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geurgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde.

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde. Zie ook paragraaf 5.1.2.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.

Onderhavig plan omvat een kleine particuliere begraafplaats. Op de locatie vinden geen crematies plaats die tot een uitstoot van fijnstof kunnen leiden. Deze begraafplaats heeft derhalve een aanzienlijk kleinere bijdrage aan fijnstof in de lucht dan 1.500 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.

De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Sprendlingenstraat, Oisterwijk'.

categorie   grenswaarde   2018   2020   2030  
jaargemiddelde concentratie NO2   40 µg/m³   < 35 µg/m³   < 35 µg/m³   < 35 µg/m³  
jaargemiddelde concentratie PM10   40 µg/m³   < 35 µg/m³   < 35 µg/m³   < 35 µg/m³  
jaargemiddelde concentratie PM2.5   25 µg/m³   < 20 µg/m³   < 20 µg/m³   < 20 µg/m³  
overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10   35   < 35   < 35   < 35  

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. Gezien de functie van de begraafplaats en het zeer beperkte gebruik is het aspect volksgezondheid echter niet relevant.

5.1.7.1 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

5.1.8.2 Analyse

De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.

Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.8.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

Voor het hele plangebied vigeert de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hier geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstorende activiteiten (zoals het aanleggen van graven) met een oppervlakte van 100 m² én een diepte onder maaiveld van 0,50 m of meer.

De graven moeten conform het Blb op minimaal 0,30 m boven het GHG worden gerealiseerd. Het GHG is hier tussen 0,60 en 0,80 m beneden maaiveld. Uitgaande van de hoogste stand (0,60 m -mv) zal een graf dus niet dieper dan 0,30 m onder het huidige maaiveld worden gegraven. De rest van het graf bevindt zich in een op te brengen grondlaag boven op het huidige maaiveld. Zie hiervoor ook paragraaf 3.1. De bodemverstoring is derhalve niet dieper dan 0,50 m. Bovendien is de totale oppervlakte voor de feitelijke graven kleiner dan 100 m². Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Om de archeologische verwachtingswaarden ook in de toekomst te blijven beschermen is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' overgenomen vanuit het moederplan.

Ondanks een zorgvuldige afweging kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0824.BPGever1Hrn-VA01_0012.jpg"

UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART NOORD-BRABANT

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming (Wnb). De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) ligt op circa 750 m afstand tot het plangebied. Wel is de houtsingel en het gebied direct ten noorden van de begraafplaats onderdeel van het NNB.

Vrijwel alle ruimtelijke ontwikkelingen hebben een zekere mate van stikstofemissie tot gevolg. Beoordeeld moet worden of die emissie tot een toename van de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden (Natura 2000) leidt. Daarbij moeten zowel de aanlegfase als de gebruiksfase worden meegenomen. Voor elk plan met een toename van de stikstofdepositie, waarbij uit een voortoets volgt dat significante effecten op het natuurgebied niet kunnen worden uitgesloten, is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Die vergunning kan uitsluitend worden verleend, indien met een passende beoordeling wordt aangetoond dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

Onderhavig initiatief zorgt voor de realisatie van een particuliere begraafplaats met een zeer beperkte omvang. Er is geen sprake van crematie op deze locatie. Gelet op de aard, de omvang en de locatie van onderhavig initiatief is het aannemelijk dat geen aantasting plaatsvindt van natuurwaarden binnen het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.

Soortenbescherming
Het plangebied omvat gronden die momenteel in agrarisch gebruik (extensief beheer) zijn. De oppervlakte van de ingreep is beperkt (circa 145 m²). Als gevolg van het plan worden géén gebouwen gesloopt, bomen gekapt of andere beplantingen gerooid. Er vindt enkel een beperkte verstoring van de bodem plaats. Bovendien wordt rondom de begraafplaats nieuwe beplanting aangeplant. Er vinden derhalve geen ontwikkelingen plaats die de mogelijk aanwezig beschermde soorten verstoren. Een quickscan flora & fauna is derhalve niet noodzakelijk.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap De Dommel.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap De Dommel

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Dit waterbeheerplan beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021.
  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2.000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2.000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
  • De notitie Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk
    De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Tevens zijn de navolgende toetsaspecten opgenomen:
    • 1. afvoer uit het gebied;
    • 2. oppervlaktewaterstanden;
    • 3. overlast/schade;
    • 4. grondwateraanvulling;
    • 5. grondwaterstanden.
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Bodemopbouw
Lankelma Geotechniek Zuid BV heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Gever 1 Haaren" (27 mei 2020, nr. 2001033). Uit dat onderzoek blijkt dat sprake is van een bodem bestaande uit matig fijn siltig zand.

Infiltratiecapaciteit
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is goed tot redelijk.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt tussen 60-80 en 80-100 cm -mv (bron: watertoetskaart Waterschap De Dommel). In dit geval wordt voor de veiligheid uitgegaan van de worst-case, namelijk 60 cm -mv.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Zoals in paragraaf 4.2.2.2 reeds vermeld ligt het plangebied binnen een Attentiezone waterhuishouding. Voor dit gebied geldt een hydrologisch standstill. Hiermee wordt bedoeld dat binnen de aangewezen zones geen activiteiten mogen plaatsvinden die een verslechtering van de situatie in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) tot gevolg hebben. Hierbij gaat het om verdroging en om vervuiling.

Verdroging

Onderhavig plan leidt niet tot een toename van gebouwen en oppervlakteverhardingen. Wel worden graven gerealiseerd. Hierbij kan echter gesteld wordt dat het perceel dermate groot is dat het hemelwater zonder specifieke voorzieningen in de bodem kan infiltreren. Ook wordt er geen grondwater onttrokken uit de bodem. Er is derhalve geen sprake van verdroging van het gebied.

Vervuiling

Om vervuiling te voorkomen dient de onderkant van de graven minimaal 30 cm boven het GHG te worden gerealiseerd. Zoals beschreven in paragraaf 5.3.3.3 is de GHG hier 60 cm -mv. Dat betekent dat de onderkant van de graven niet dieper dan 30 cm -mv mogen komen te liggen. Hiermee is de geohydrologische scheiding voldoende gewaarborgd. Het proces van de lijkvertering wordt niet verstoord door het grondwater en eventuele vrijkomende stoffen bij dit proces komen niet terecht in het grondwater. Er is derhalve geen sprake van vervuiling van het gebied.

Het plangebied ligt niet in of nabij overige gebieden waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

Er is geen sprake van de toe- of afname van verhard oppervlak.

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Omdat er geen toename is van het verhard oppervlak is geen compensatie van de bergingscapaciteit benodigd.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het schone hemelwater infiltreert rechtstreeks in de grond. Er is voor de begraafplaats geen sprake van vuil afvalwater.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast. De graven worden gerealiseerd op ruime afstand boven de GHG waardoor sprake is van voldoende geohydrologische scheiding. De waterkwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater is hiermee voldoende gewaarborgd.

5.3.7 Advies waterschap

Op 27 mei 2020 is informeel vooroverleg geweest met het waterschap De Dommel. Hieruit is gebleken dat het waterschap op de voorgestelde locatie en wijze geen bezwaar heeft tegen het initiatief.

5.3.8 Conclusie

Het aspect water vormt inzake de realisatie van de begraafplaats geen planologische belemmering voor het plan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

Daarnaast is er de maatschappelijke uitvoerbaarheid: vindt het initiatief draagvlak bij de directe omgeving.

6.1 Behoefte

De initiatiefnemers hebben een historische en emotionele band met de gronden en de woning aan het adres Gever 1 in Haaren. Zij namen deze een aantal jaar geleden over van de ouders. De ouders van de initiatiefnemer hebben aangegeven hier graag begraven te worden. Ook de initiatiefnemers zelf willen uiteindelijk hier begraven worden. Dit initiatief komt voort uit deze eigen wens en betreft geen commercieel doel. De behoefte is hiermee voldoende aangetoond.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren niet tot de in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Het vaststellen van een exploitatieplan is derhalve niet verplicht.

Gemeentelijke grondexploitatie
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Er is twee maal een dialoog tussen de initiatiefnemer en de omwonenden gevoerd. Geen van de omwonenden heeft bezwaar tegen het initiatief, de locatie en de voorgenomen inrichting.

Een verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage 3 opgenomen.

6.4 Conclusie

Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Natuur (artikel 3)
De gronden ten behoeve van de begraafplaats hebben de bestemming 'Natuur' met de aanduiding 'begraafplaats'. Door de begraafplaats deze bestemming te geven, waar niet gebouwd mag worden en waar geen agrarische activiteiten mogen plaatsvinden, is conflicterend gebruik uitgesloten. Ook is het behoud en de bescherming van de begraafplaats in de toekomst hiermee voldoende gewaarborgd. Ook de landschappelijke inpassing ligt binnen deze bestemming, waardoor deze planologisch gewaarborgd is.

Waarde - Archeologie 2 (artikel 4)
De gebieden met een hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarde volgens de gemeentelijke archeologische waardenkaart krijgen een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Dit artikel bevat regels ter bescherming van deze archeologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 5)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene gebruiksregels (artikel 6)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.

Algemene aanduidingsregels (artikel 7)

In dit artikel zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Deze aanduidingen betreffen:

  • overige zone - attentiezone waterhuishouding
  • overige zone - Natuur Netwerk Brabant

Algemene afwijkingsregels (artikel 8)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 9)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 10)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
  • 2. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan;
  • 3. Vaststelling door gemeenteraad;
  • 4. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan.

8.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de betrokken instanties, te weten: Enexis, waterschap De Dommel en provincie Noord-Brabant.

Enexis

Enexis heeft aangegeven in deze fase geen bedenkingen tegen het plan te hebben.

Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel heeft op 9 november 2020 laten weten geen bezwaar te hebben tegen de aanleg van de kleine privébegraafplaats op deze locatie. Er wordt voldoende rekening gehouden met de grondwaterstanden ter plaatse.

Provincie Noord-Brabant

De provincie heeft op 7 december 2020 aangegeven het plan te hebben bekeken aan de hand van de provinciale belangen zoals die zijn verwoord in de Brabantse Omgevingsvisie en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) en komt tot het oordeel dat de provinciale belangen niet in het geding zijn met dit plan. Het plan geeft daarom geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

8.2 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft vanaf 16 april tot en met 27 mei 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn er geen zienswijzen ingekomen.

8.3 Vaststelling door gemeenteraad

Op 12 juli 2021 heeft de gemeenteraad van Oisterwijk het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld.