direct naar inhoud van Artikel 6 Gemengd - 2
Plan: Centrumgebied
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0785.BP2011004Centrum-vo02

Artikel 6 Gemengd - 2

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven op de begane grond van gebouwen, voor zover voorkomend in de categorie A of B van de Staat van bedrijfsactiviteiten;
  • b. detailhandel op de begane grondlaag van de gebouwen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
  • c. dienstverlening op de begane grondlaag van de gebouwen;
  • d. horeca uit categorie B, C of D van de Staat van horeca-activiteiten op de begane grondlaag van de gebouwen tot een maximum van 150 m2 bvo per horecabedrijf, met dien verstande dat bij bestaande horecabedrijven het bestaand oppervlakte is toegestaan;
  • e. woningen;
  • f. nutsvoorzieningen;
  • g. evenementen;
  • h. speel-, groen- en parkeervoorzieningen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede kunstwerken ten behoeve van waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor wonen.

alsmede voor:

  • k. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - rijksmonument' aangegeven gebouwen;
  • l. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' aangegeven gebouwen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 6.1 omschreven doeleinden en met inachtneming van de volgende regels:

  • a. toegestaan zijn:
    • 1. hoofdgebouwen;
    • 2. daarbij horende bijgebouwen;
    • 3. kelders als bergruimte/magazijn ten dienste van bovengelegen functies;
    • 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. buiten het bouwvlak mogen geen hoofdgebouwen worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal wooneenheden niet meer bedragen dan is aangegeven;
  • d. ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter.
6.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 6.2.1 de volgende regels:

  • a. een bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • b. het hoofdgebouw dient met de voorgevel in de naar de weg gekeerde (deel van de) begrenzing van het bouwvlak te worden gebouwd;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mag de goothoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan in het bouwvlak is aangegeven.
6.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 6.2.1 de volgende regels:

  • a. bijgebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak of het gebied ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
  • b. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag bij een bouwperceel kleiner dan 150 m² niet meer bedragen dan 50 m²;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag bij een bouwperceel van 150 m² tot 200 m² niet meer bedragen dan 60 m²;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag bij een bouwperceel van 200 m² tot 250 m² niet meer bedragen dan 68 m²;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag bij een bouwperceel van 250 m² tot 500 m² niet meer bedragen dan 75 m²;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' mag bij een bouwperceel van 500 m² of meer niet meer bedragen dan 100 m²;
  • g. de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter bedragen;
  • h. de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
6.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt naast het bepaalde in lid 6.2.1 de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van plastische kunstwerken mag niet meer dan 2,5 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van abri's en nutsvoorzieningen mag niet meer dan 3 meter bedragen; en de oppervlakte niet meer dan 20 m²;
  • d. de bouwhoogte van (licht)masten mag niet meer dan 6 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 5 meter bedragen;
  • f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen.
6.3 Afwijken van de bouwregels

Erf- en terreinafscheidingen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.4, onder a, voor het toestaan van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter vóór de naar de weg gekeerde gevel, mits:

  • a. dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving;
  • b. dit mogelijk is uit oogpunt van een veilige verkeerssituatie.
6.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.1, onder a:

  • a. om bedrijven toe te laten die niet in Staat van bedrijfsactiviteiten zijn genoemd, voorzover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de volgens lid 6.1 onder a toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • a. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. de aard en de activiteiten van het bedrijf mogen niet leiden tot een onevenredige inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving.