Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Landgoed Leijkant
Status: voorontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0785.BP2012002Leijkant-vo01

Artikel 3 Natuur - Landgoed

3.1. Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur-Landgoed’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.    behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuur, bos/bosschages en landschappelijke waarden ten behoeve van het landgoed;
b.    ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’, woningen ten behoeve van het landgoed met bijbehorende tuinen en erven;
c.     bijbehorende en ondergeschikte verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
d.     water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede kunstwerken ten behoeve van de waterhuishoudkundige voorzieningen;
e.     bijbehorende en ondergeschikte objecten voor beeldende kunst;
f.       extensief dagrecreatief medegebruik;
g.      bouwwerken van algemeen nut;
h.      parkeer- en groenvoorzieningen en andere tot de bestemming behorende voorzieningen;
i.       ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch’, eveneens agrarische doeleinden in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;
 
met dien verstande dat:
j.        de woning en/of daarbij behorende bijgebouwen mogen tevens worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met dien verstande, dat maximaal 30% van het bestaande vloeroppervlak van de woning en/of bijgebouwen tot een oppervlakte van maximaal 60 m², mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
k.       aangebouwde bijgebouwen mogen worden gebruikt voor wonen.
 
3.2. Bouwregels
3.2.1.        Algemeen
Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven doeleinden en met inachtneming van de volgende regels:
a.       toegestaan zijn:
-         woningen;
-         daarbij behorende bijgebouwen;
-         een werktuigenberging ten behoeve van het stallen van voertuigen noodzakelijk voor het onderhoud van het landgoed;
-         bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
b.      buiten het bouwvlak mogen geen gebouwen worden gebouwd;
c.       ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak onder bebouwd oppervlak, tot een verticale diepte van maximaal 5 meter.
 
3.2.2.        Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van het hoofdgebouw, zijnde de woning, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a.    als hoofdgebouw zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
b.    per bouwvlak is ten hoogste één woning toegestaan;
c.     de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter;
d.    ter plaatse van de aanduiding ‘maximale inhoud’, mag de inhoud van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
e.    ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte (m)' mag de goothoogte van de woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding;
f.     ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte van woningen niet meer bedragen dan aangegeven op de verbeelding.
 
3.2.3.        Bijgebouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de vol­gende regels:
a.    bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak en op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wonen';
b.    de bijgebouwen dienen minimaal 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gesitueerd;
c.     de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen mag per bouwvlak niet meer bedragen dan 100 m²;
d.    de goothoogte van bijgebouwen mag maximaal 3,25 meter bedragen;
e.    de bouwhoogte van bijgebouwen mag maximaal 5 meter bedragen.
 
3.2.4.        Gebouw ten behoeve van werktuigenberging
Voor het bouwen van een werktuigenberging gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels-
a.    uitsluitend ter plaatse van de aanduiding werktuigenberging (sw-wtb);
b.    maximale oppervlakte van 200 m²;maximale goothoogte van 4,5 meter;
c.     maximale nokhoogte van 10 meter;
d.    het gebouw dient voorzien te zijn van een kap met een dakhelling van niet minder dan 12° en niet meer dan 45°.
 
3.2.5.        Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden naast het bepaalde in lid 3.2.1 de volgende regels:
a.    op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel niet meer dan 1 meter mag bedragen;
b.    de bouwhoogte van antenne- en vlaggenmasten mag niet meer dan 5 meter bedragen;
c.     de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1,5 meter bedragen;
d.    uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ mogen zwembaden worden gebouwd.
 
3.3. Afwijken van de bouwregels
3.3.1.        Erf- en terreinafscheidingen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.5., onder a, voor het toestaan van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 meter
vóórde naar de weg gekeerde gevel, mits
a.    dit past binnen het straat- en bebouwingsbeeld van de omgeving;
b.    dit mogelijk is uit oogpunt van een veilige verkeerssituatie.
 
3.4.Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt in ieder geval gerekend:
a.    vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
b.    het gebruik van gronden en / of opstallen voor kampeerdoeleinden;
c.     het gebruik van gronden en / of opstallen voor het beproeven van of racen of crossen met motoren of motorvoertuigen;
d.    het gebruik van gronden en / of opstallen voor reclamedoeleinden;
 
3.5.Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1.        Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op of in de in 3.1 bedoelde gronden de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
a.    het vergraven, afgraven en egaliseren van gronden of het graven van sloten;
b.    het aanbrengen van drainagevoorzieningen;
c.     het aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband hou­dende con­structies;
d.    het vellen van bos;
e.    het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
f.     het onttrekken van grondwater ten behoeve van veedrenking danwel moestuinberegening.
 
3.5.2.        Criteria
De in lid 3.5.1. bedoelde vergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien door het uitvoeren van de andere werken, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, aardkundige of hydrologische waarden en hieraan door het stellen van voorwaarden niet of onvoldoende tegemoet kan worden gekomen.
 
3.5.3        Uitzonderingen
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.5.1. is niet vereist voor:
a.    werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
b.    werken of werkzaamheden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende dan wel aangevraagde vergunning.