direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Ligt IV
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01

Toelichting

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel

In het noordoosten van de kern Alphen ligt uitbreidingsgebied 'De Ligt', een woningbouwlocatie die in fases wordt gerealiseerd. De gemeente Alphen-Chaam is voornemens om fase IV te realiseren. Op deze locatie van circa 4,3 hectare zijn, naast één bestaande woning, 80 nieuwe woningen in verschillende categorieën voorzien. Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan 'Kom Alphen 2009'. Om de ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Voorliggend plan voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ten noordoosten van de kern Alphen. Het plangebied wordt globaal begrensd door agrarische percelen aan de noordzijde, de N260 aan de oostzijde en door bebouwing van het reeds gerealiseerde De Ligt II en III aan de zuid- en westzijde.

Op afbeelding 1.1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Alphen 2009'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van de gemeente Alphen-Chaam vastgesteld op 18 november 2009. Binnen dit bestemmingsplan hebben de betreffende gronden grotendeels de bestemming 'Agrarisch'. Daarnaast is ter plaatse een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing.

In afbeelding 1.2 is de verbeelding van het bestemmingsplan “Kom Alphen 2009” met de globale ligging en begrenzing van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding 'Kom Alphen 2009' met de globale ligging van het plangebied (rode stippellijn)

1.4 Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie van het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 worden de relevante beleidskaders beschreven. De milieu- en gebiedsaspecten zijn in hoofdstuk 4 opgenomen. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In de hoofdstukken 6 en 7 komen achtereenvolgens de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid en het overleg en inspraak van het plan aanbod.

Hoofdstuk 2 PLANBESCHRIJVING

In dit hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie van het plangebied toegelicht.

2.1 Plangebied en omgeving

De gemeente Alphen-Chaam is gelegen tussen Breda en Tilburg en bevindt zich ten zuiden van de A58. De gemeente bestaat uit de kernen Alphen, Bavel AC, Chaam, Galder, Strijbeek en Ulvenhout AC. De gemeente is op 1 januari 1997 ontstaan door samenvoeging van een deel van de voormalige gemeente Alphen en Riel, de voormalige gemeente Chaam en delen van de eveneens opgeheven gemeente Nieuw-Ginneken. De kern Alphen wordt ontsloten door de provinciale weg N260 (Gilze - Baarle-Nassau). In 2005 is de oostelijke rondweg (Kapellekensbaan) van Alphen opengesteld voor het verkeer.

Aan de noordoostzijde van de kern Alphen, tussen de bestaande kern en de N260 ligt uitbreidingslocatie De Ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0003.png"

Afbeelding 2.1: Ligging De Ligt IV binnen Alphen en omgeving

2.2 Huidig gebruik

Momenteel heeft het plangebied een agrarische functie. De locatie bestaat uit gras- en akkerland. Er bevindt zich geen bebouwing binnen het plangebied.

2.3 Beschrijving ontwikkeling

Ruimtelijke structuur

Bij de afronding van uitbreidingswijk De Ligt is gezocht naar enerzijds een optimale aansluiting op en logische afronding van het dorp Alphen en anderzijds een passende landschappelijke inpassing. Binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet is het mogelijk om een flexibel woningbouwprogramma te ontwikkelen van grondgebonden woningen. De flexibiliteit is gewenst om adequaat in te kunnen spelen op de ontwikkelingen in de woningmarkt. Aan de oostelijke rand zijn patiowoningen beoogd, in het middengebied vrijstaande woningen, twee-onder-één-kap woningen en rijwoningen. Binnen het plangebied is ruimte voor 80 nieuwe woningen en één bestaande woning.

Verkeer en parkeren

Binnen het plangebied wordt een interne ontsluitingsstructuur aangelegd om de woningen op de aangrenzende wegen te ontsluiten. De ontsluiting van de planlocatie vindt plaats via de Weegbree/Eikenlaan en Beukenlaan in het zuiden en de Beukenlaan/Goedentijd in het noorden. Parkeren vindt gedeeltelijk op eigen terrein plaats en gedeeltelijk in de openbare ruimte. Hierbij dient de ontwikkeling te voldoen aan de parkeernormen van de gemeente Alphen - Chaam, zoals is opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Alphen-Chaam 2019 (vastgesteld op 14 maart 2019). Bij een flexibele invulling van het woningbouwprogramma zal ook steeds een sluitende parkeeroplossing moeten worden gerealiseerd (zie ook paragraaf 4.8).

Groen

Ten aanzien van de landschappelijke inpassing is gezocht naar een oplossing waarbij een relatie wordt gelegd tussen de randweg en het nieuw te ontwikkelen plan. De oostelijke rand van het woongebied wordt derhalve gevormd door een brede groenzone; deze zorgt enerzijds voor een noodzakelijke buffer naar de woningbouw (in verband met geluid) en anderzijds voor een landschappelijke inpassing van het plan. Er is een visie opgesteld voor de oostelijke dorpsrand van Alphen. Deze visie is opgenomen als Bijlage 1 bij de toelichting. Op basis van deze visie is voor het plangebied een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. De groenzone wordt parkachtig ingericht met wandelpaden en een voorziening voor de waterberging. In deze groenzone kan een speelplek worden opgenomen. In Bijlage 14 van de toelichting en op afbeelding 2.2 is het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Deze is richtinggevend voor de ontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0004.png"

Afbeelding 2.2: Landschappelijk inpassingsplan

Op afbeelding 2.3 is het stedenbouwkundig plan van de ontwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0005.png"

Afbeelding 2.3: Stedenbouwkundig plan De Ligt IV

2.4 Vertaling naar bestemmingsplan

In de geest van de Omgevingswet is gekozen voor een globaal bestemmingsplan. Concreet houdt een globaal bestemmingsplan in dat het bestemmingsplan niet op verkavelingsniveau is uitgewerkt, maar dat alleen de grote en belangrijke structuren zijn opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan. Op de patiowoningen na, worden alle nieuwbouwwoningen binnen het plangebied mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Woongebied'. Dit zorgt ervoor dat er flexibiliteit ontstaat bij de nadere invulling van de verkaveling zonder de hoofdstructuur van het plan aan te tasten.

Hoofdstuk 3 VIGEREND BELEID

In dit hoofdstuk is het geldende beleidskader voor het plangebied opgenomen.

3.1 Rijksbeleid

Deze paragraaf vat het rijksbeleid samen dat van toepassing is op de woningbouwontwikkeling De Ligt IV in Alphen. In deze paragraaf worden onderstaande beleidsdocumenten behandeld:

  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte;
  • Besluit algemene regels ruimtelijke ordening;
  • Besluit ruimtelijke ordening.
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is door de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. In de Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo wordt beschreven in welke infrastructuurprojecten het Rijk de komende tijd wil investeren en op welke wijze de bestaande infrastructuur beter benut kan worden.

Het Rijk streeft ernaar om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken. Gestreefd wordt naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

De SVIR verstevigt het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk daarom over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het onderhavige bestemmingsplan zodoende zeer beperkt blijft.

De structuurvisie richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor dit bestemmingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante afwegingskader gevormd door het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeente Alphen-Chaam.

Conclusie
Het beleid zoals vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor die ontwikkeling vindt de afweging decentraal plaats.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Conclusie
Het Barro bevat geen relevante regels die leiden tot een beperking van de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden binnen het plangebied van De Ligt IV. Het Barro heeft dan ook geen invloed op het onderhavige plan.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Per 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling“, opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro, blijven ongewijzigd.

Conclusie 
Toetsing van het voornemen tot woningbouw aan de ladder voor duurzame verstedelijking is noodzakelijk, mede omdat de provincie Noord-Brabant hecht aan duurzaam ruimtegebruik (zie de paragrafen over het provinciaal beleid). De toetsing aan de ladder vindt plaats in paragraaf 4.12.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

Onderstaande paragrafen gaan in op het provinciaal beleid dat van toepassing is. Achtereenvolgens komen de volgende beleidsdocumenten aan de orde:

  • Brabantse Omgevingsvisie;
  • Interim omgevingsverordening;
  • Provinciaal Waterplan;
  • Beleid Waterschap Brabantse Delta.
3.2.1 Brabantse Omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld door de Provinciale Staten. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. Rode draad in de visie is om de kwaliteit van de Brabantse leefomgeving te behouden, te versterken en door te geven aan volgende generaties. De visie benoemt ambities over hoe Brabant er in 2050 uit moet zien en stelt mobiliserende tussendoelen voor 2030. Deze doelen zijn zelfbindend voor de provincie.

De provincie Noord-Brabant heeft ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie kwam in de afgelopen jaren, in samenwerking met een groot aantal partijen en inwoners, tot stand.

Brabantse energietransitie

De doelstelling voor de energietransitie is tweeledig: het verminderen van energieverbruik en de verduurzaming van energie om in 2050 energieneutraal te zijn. Voor 2030 is de doelstelling om de reductie van broeikasgassen met ten minste 50 procent te verminderen ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarnaast dient 50 procent van de energie duurzaam opgewekt te worden.

De provincie kiest voor een richting gevende en stimulerende rol. De hoofdrol voor de realisering wordt ingevuld door gemeenten en initiatiefnemers. De provincie blijft intensief in gesprek met de regio's om tot een gezamenlijk beeld van de kansen en koers voor een regio te komen en de opgave te realiseren.

Klimaatproof Brabant

Als gevolg van klimaatverandering ontstaan meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor de fysieke leefomgeving. De doelstelling is om in 2050 klimaatbestendig te zijn met een waterrobuuste inrichting. Dit wil zeggen dat de risico' s vanwege deze weerextremen in 2050 aanvaardbaar, draagbaar en beheersbaar zijn. In 2030 dienen de eerste grote klimaatbestendige en waterrobuuste gebiedsopgaven gerealiseerd te zijn.

De provincie stelt samen met andere partijen (gemeenten, waterschappen, bedrijven en maatschappelijke organisaties) een strategie op om het waterbeheer op te vangen. Grondeigenaren zoals agrariërs en natuurterreinbeheerders spelen een belangrijke rol bij deze strategie.

Slimme netwerkstad

De provincie Noord-Brabant heeft als doelstelling voor 2030 om met Brabantse partijen samen te werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Binnen het netwerk Brabant vragen oplossingen voor een verschillende benadering. Enerzijds het ondersteunen en versterken van het centrale stedelijke netwerk en anderzijds zorgdragen voor de vitaliteit van krimpgebieden en het aanhaken op get centrale stedelijke netwerk. Daarnaast is het van belang rust, ruimte, cultuurhistorie en natuur binnen laag-dynamische gebieden te koesteren.

De verantwoordelijkheid voor de aanpak van de integrale verstedelijkingsopgave is een samenspel tussen gemeenten, marktpartijen, burgers en de provincie. De provincie wilt een actieve rol spelen bij de verstedelijkingsopgave door onder andere regionale afspraken, zoals over zorgvuldig ruimtegebruik en prognoses woningbehoefte, te bevorderen en het mogelijk maken van participatie in gebiedsgerichte stedelijke opgaven.

Concurrerende, duurzame economie

De provincie Noord-Brabant wilt een top kennis- en innovatieregio blijven. Om dit te blijven zal een omslag gemaakt moeten worden naar een verregaande circulaire economie waarin digitalisering steeds belangrijkers wordt.

De transitie is op de eerste plaats een opgave voor de sector en hangt af van gezamenlijke acties met partijen. Om deze transitie te ondersteunen zet de provincie ook haar regulerende bevoegdheden in. Regels moeten geen belemmering vormen voor innovaties. duurzame, concurrerende en circulaire economie.

Net als het Rijk streeft de provincie met de Brabantse Omgevingsvisie naar een manier van het benaderen van initiatieven in de fysieke leefomgeving die uitgaat van vertrouwen en het gezamenlijk met publieke en private partijen zoeken naar mogelijkheden om een initiatief te realiseren. Daarbij moeten initiatieven een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Relevantie plangebied

De beoogde ontwikkeling betreft een woningbouwontwikkeling van maximaal 80 woningen buiten de contouren van het bestaand stedelijk gebied. Voor de provincie Noord-Brabant ligt de voorkeur voor herbestemmings- en transformatieopgaven. Uitbreiding van het bestaande stedelijk gebied in steden en dorpen is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag.

De verantwoordelijkheid voor de aanpak van de integrale verstedelijkingsopgave is een samenspel tussen gemeenten, marktpartijen, burgers en provincie. De provincie wil een actieve rol spelen in dit samenspel door de regionale afspraken te bevorderen en te sturen op zorgvuldig ruimtegebruik. De Brabantse Omgevingsvisie heeft een doorwerking in de regels met de interim omgevingsverordening. In paragraaf 3.2.2 wordt nader ingegaan op de interim omgevingsverordening.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 24 mei 2019 is voor een periode van vier weken het ontwerp de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegd. De omgevingsverordening bevat regelgeving die ook anticipeert op de komst van de Omgevingswet en kan gezien worden als een uitwerking van de ambities uit de Brabantse Omgevingsvisie in regels. De omgevingsverordening integreert regels uit zes provinciale verordeningen (waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant). De Interim omgevingsverordening trad op 5 november 2019 in werking.

De omgevingsverordening heeft een beleidsneutraal karakter. Dat houdt in dat de omgevingsverordening geen nieuwe beleidswijzigingen doorvoert tenzij dit nieuwe beleid reeds opgenomen is in vastgestelde beleidsdocumenten. De omgevingsverordening is een interimdocument en daarmee een tussenstap naar een definitieve provinciale omgevingsverordening. Gelet op het beleidsneutrale karakter van de omgevingsverordening is het projectgebied in de omgevingsverordening net zo aangeduid als in de Verordening ruimte Noord-Brabant.

Relevantie plangebied

In afbeelding 3.1 is de themakaart 'Landbouw' van de interim omgevingsverordening opgenomen. Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan valt binnen het Landelijk gebied. Binnen het landelijk gebied is een nieuwe stedelijke ontwikkeling met woningbouw niet toegestaan (artikel 3.68 wonen in landelijk gebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0006.png"

Afbeelding 3.1: themakaart 'Landbouw' (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

Het realiseren van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient binnen het 'Stedelijk gebied' plaats te vinden (artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling). In afwijking hierop geldt dat op gronden die zijn aangewezen als 'Verstedelijking afweegbaar', voorzien kan worden van de nieuwvesting van een duurzame stedelijke ontwikkeling, mits voldaan wordt aan een aantal voorwaarden (artikel 3.43 afwijkende regels verstedelijking afweegbaar). In afbeelding 3.2 is de themakaart 'Verstedelijking' van de interim omgevingsverordening opgenomen. Hierin is te zien dat een deel van het plangebied is aangewezen als 'Verstedelijking afweegbaar'. De voorwaarden die in artikel 3.43 worden genoemd zijn:

  • binnen het stedelijk gebied is er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte voor de ontwikkeling;
  • de transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed behoort niet tot de mogelijkheden;
  • de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken (afdeling 5.4 Regionaal samenwerken van de omgevingsverordening);
  • de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied.

In de onderbouwing aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking komt de toetsing aan deze voorwaarden aan bod. De ladderonderbouwing is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting. In paragraaf 4.12 wordt nader op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0007.png"

Afbeelding 3.2: themakaart 'Stedelijk gebied' (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant)

Herbegrenzing 'Verstedelijking afweegbaar'

Voor het deel van het plangebied welke niet is aangewezen met 'Verstedelijking afweegbaar'biedt artikel 5.3 (wijziging grenzen van werkingsgebieden) van de interim omgevingsverordening de mogelijkheid om de grenzen van 'Verstedelijking afweegbaar' te wijzigen. Om de herbegrenzing van de aanduiding 'Verstedelijking afweegbaar' mogelijk te maken dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden (artikel 5.3, lid 4):

  • a. de stedelijke ontwikkeling past binnen de regionale afspraken;
  • b. de stedelijke ontwikkeling leidt tot een duidelijke verbetering van de stedenbouwkundige of landschappelijke kwaliteit;
  • c. de gewenste uitbreidingsrichting is aanvaardbaar.

Daarnaast worden onder artikel 5.3, lid 1 gevallen genoemd, wanneer Gedeputeerde Staten bevoegd zijn om de in de verordening opgenomen grenzen van een werkingsgebied te wijzigen. Sub c bevat de voorwaarden dat de wijziging moet passen binnen de uitgangspunten en basisprincipes van deze verordening. De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zijn opgenomen is paragraaf 3.1.2 van de interim omgevingsverordening. Hieronder komen deze basisprincipes aan bod.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

Bij een evenwichtige toedeling van functies dient invulling gegeven te worden aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit is in deze verordening opgenomen om een bijdrage te leveren aan een juiste balans tussen beschermen en benutten. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:

  • a. zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6);
  • b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7);
  • c. meerwaardecreatie (artikel 3.8).

Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik

Bij stedelijke ontwikkeling dient toepassing gegeven te worden aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Een onderbouwing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is opgesteld en komt in paragraaf 4.12 van deze toelichting aan bod. De conclusie van deze onderbouwing is dat het realiseren van de woningbouwontwikkeling 'De Ligt IV' buiten het bestaand stedelijk gebied aanvaardbaar geacht en dat de woningbouwontwikkeling binnen de regionale woonbehoefte past.

Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De gewenste uitbreidingsrichting moet aanvaardbaar zijn.

Door CroonenBuro5 is de memo 'Toepassing van de lagenbenadering voor woningbouwontwikkeling De Ligt IV te Alphen' d.d. 24 januari 2019 opgesteld. Deze memo is als Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de conclusie opgenomen.

Net als veel andere Brabantse kernen ligt de kern Alphen op een dekzandplateau met een zone eerdgronden. Op deze gronden zijn deze zones grotendeels bebouwd geraakt ten behoeve van uitbreiding van de oorspronkelijke kernen. Alphen ligt op een relatief groot dekzandplateau, met een groot gebied met eerdgronden. De woningbouwuitbreidingen na de Tweede Wereldoorlog zijn voor de kern Alphen redelijk beperkt gebleven in verhouding tot andere kernen. De uitbreidingen van de kern Alphen hebben zich met name in zuidelijke- en oostelijke richting gevormd. Met name aan de noord- en westzijde van de kern bevinden zich nog onbebouwde eerdgronden. Deze zone is nog over grote delen aaneengesloten en in tact. Aan de oostzijde van de kern Alphen is de zone eerdgronden 'versnipperd' geraakt, door met name de aanleg van de rondweg N260. Om die reden is gekozen om de uitbreidingen voort te zetten in oostelijke richting.

Op basis van de lagenbenadering kan opgemaakt worden dat de gewenste woningbouwlocatie voldoende potenties voor woningbouw heeft en aantasting van de bestaande kwaliteiten niet te verwachten zijn. De gewenste uitbreiding op de agrarische gronden tussen de bestaande kern en de N260 is aanvaardbaar.

Artikel 3.8 meerwaardecreatie

Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat en de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap) kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap

Een ruimtelijke ontwikkeling die met een nieuwe bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt in Landelijk Gebied, zoals voorliggend bestemmingsplan, dient gepaard te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

  • a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of
  • b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

In het kader van het onderhavige initiatief wordt gekozen voor de financiële borging. De gemeente Alphen-Chaam beschikt over een groenfonds ten behoeve van de ontwikkeling en verbetering van haar buitengebied. In het kader van dit groenfonds zijn reeds in 2005 afspraken gemaakt met de provincie Noord-Brabant. In het kader van onderhavig plan zal de gemeente, conform de handreiking van de provincie, een bijdrage leveren aan dit groenfonds. Hierbij wordt een basisnorm van 1% van de totale uitgifteprijs als uitgangspunt genomen. De bijdrage (die in de oostelijke groenzone geïnvesteerd zal worden) is in de onderstaande tabel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0008.png"

Verzoek herbegrenzing 'Verstedelijking afweegbaar'

Met het ontwerpbestemmingsplan heeft het verzoek om herbegrenzing 'Verstedelijking afweegbaar' conform artikel 6.2 van de interim Omgevingsverordening ter inzage gelegen. Op het moment van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan was dit nog het verzoek om herbegrenzing 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling' zoals voorgeschreven in de Verordening ruimte van de provincie. Op 5 november 2019 is echter de interim Omgevingsverordening in werking getreden. Het verzoek om herbegrenzing is hierop aangepast. Het verzoek is opgenomen als Bijlage 16 bij de toelichting.

Het verzoek om herbegrenzing 'Verstedelijking afweegbaar' is op 17 januari 2020 bij Gedeputeerde Staten ingediend. Tegen het verzoek om herbegrenzing zijn twee zienswijzen ingediend, deze zijn met het verzoek om herbegrenzing meegestuurd. Gedeputeerde Staten is op 3 maart 2020 akkoord gegaan met de wijziging van de interim Omgevingsverordening. Het besluit is opgenomen bijlage 5 van de Nota van Zienswijzen (Bijlage 17 bij de toelichting).

Conclusie

De ontwikkeling van het plangebied past binnen de beleidskaders uit de interim omgevingsverordening.

3.2.3 Provinciaal Waterplan

Het provinciale beleid (provinciaal Waterplan) richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde.

Vijf hoofdthema’s vormen de kern van het beleid:

  • Het realiseren van een duurzame watervoorziening;
  • Het verbeteren van de waterhuishoudkundige situatie;
  • Het verbeteren van de waterkwaliteit;
  • Het inrichten van waterlopen met het oog op de versterking van natuurwaarden;
  • Het anders omgaan met water in bebouwd gebied;

Conclusie

Voor de consequenties van dit beleid voor onderhavig bestemmingsplan wordt verwezen naar paragraaf 4.4 van deze toelichting.

3.2.4 Beleid Waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

Het waterschap heeft beleid en beleidsregels welke zijn vastgelegd in de Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap nodig. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van het waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen en afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel “hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”.

Conclusie
De eisen vanuit het waterschap hebben geen beperkingen voor onderhavig plan tot gevolg. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met een waterretentiegebied. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

Onderstaande paragrafen gaan in op het beleid van de gemeente Alphen-Chaam dat van toepassing is op het plangebied.

3.3.1 Structuurvisie Alphen-Chaam 2014

In de structuurvisie is het ruimtelijk functioneel beleid van de gemeente Alphen-Chaam uiteengezet. De gemeente kiest in de structuurvisie welbewust voor haar rustige en agrarische imago. De thema's voor ontwikkeling zijn wonen, werken, voorzieningen, recreatie & toerisme, landschap en verkeer en infrastructuur. Afgestemd op de Agenda van de Toekomst Alphen-Chaam 2020 leiden deze thema's tot de volgende ambities:

  • 1. Versterking en verbreding van het economisch profiel door betere benutting van de toeristisch-recreatieve mogelijkheden.
  • 2. Inzet op leefbaarheid in de kernen door een aandacht voor zowel woningbouw, voorzieningen, verkeer en openbare ruimte/groen.
  • 3. Versterking van de demografische balans door gerichte aandacht aan alle bevolkingsgroepen.
  • 4. Positiebepaling in het bestuurlijk krachtenveld op basis van eigen kracht en identiteit en het open benaderen van samenwerking, alliantievorming en eventuele opschaling met andere gemeenten.

De gemeente kiest voor het behouden van kwaliteiten door actief en zorgvuldig te ontwikkelen. Deze keuze vertaalt zich voor de kernen in het streven naar ruimtelijke kwaliteit, passende woon- en werklocaties en een gezonde sociaal-culturele structuur. Het kwaliteitsbeeld is richtinggevend voor de ruimtelijke ontwikkelingen.

Vanuit het thema wonen wordt er gestuurd op een geleidelijke ontwikkeling van de woningvoorraad. Hierdoor wordt te veel onderlinge concurrentie voorkomen. Voor de kern Alphen betekent dit dat nieuwbouw met name plaatsvindt op woningbouwlocatie De Ligt. Op de structuurvisiekaart wordt het plangebied reeds aangeduid als woongebied (zie afbeelding 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0009.png"

Afbeelding 3.3: Structuurvisiekaart gebiedstypen kern Alphen

Voorgaande wil overigens zeker niet zeggen dat er geen aandacht is voor de ontwikkeling van inbreidingslocaties. Onlangs is een besemmingsplan vasgesteld voor de herontwikkeling van de oude Rabobanklocatie aan de Goedentijd. Daarnaast zijn er plannen om op diverse locaties in de kern van Alphen (onder meer aan de Nieuwstraat) woningbouwinitiatieven te realiseren. Betreffende locaties lenen zich echter niet voor de realisatie van vrijstaande en twee-aaneen-gebouwde woningen.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past in de beleidskaders die gesteld zijn in de structuurvisie. Er wordt een positieve bijdrage geleverd aan het streven om te komen tot een optimalisering van leefbare kernen door ontwikkeling van passende woonlocaties.

3.3.2 Woonvisie Alphen-Chaam 2018 - 2023

De gemeente Alphen-Chaam heeft op 2 februari 2018 de woonvisie Alphen-Chaam vastgesteld. In de woonvisie wordt de visie op de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt in Alphen-Chaam beschreven. In de woonvisie komen vijf thema's aan bod welke een prioriteit verdienen. Het gaat om de volgende thema's:

  • identiteit van het wonen in Alphen-Chaam;
  • demografie en de woningbehoefte;
  • betaalbaar wonen;
  • kwaliteit van de woningvoorraad;
  • wonen met zorg en welzijn.

Door Companen is in maart 2016 een woningmarktonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek 'Woningmarktonderzoek 2015' d.d. maart 2016 zijn verwerkt in de woonvisie en vormen een uitgangspunt.

Voor nieuwbouw liggen er vooral kansen in de toevoeging van gezinswoningen in de koopsector, vooral in het ruimere koopsegment (vrijstaand en twee-ondereen kap). Voor een belangrijk deel is dit het gevolg van de aantrekkingskracht die de gemeente heeft op de doelgroep gezinnen. Daarnaast blijft er vooral op kortere termijn, behoefte bestaan aan betaalbare woningen, zowel in het betaalbare (tot € 185.000,-) en middeldure (tot € 275.000,-) koopsegment als in de sociale huursector (tot € 710,-). De huidige woningvoorraad in de gemeente is namelijk relatief duur. Om ook jonge startende huishoudens een kans te bieden op de woningmarkt is voldoende betaalbaar aanbod van belang.

In de woonvisie is opgenomen dat nieuwbouw in Alphen vooral plaats vindt op de locaties De Ligt II, III en IV. Van de totale woningbouwbehoefte is naar rato ongeveer 45% voorzien in de kern Alphen. Bij een totale woningbouwbehoefte van 375 woningen voor de gehele gemeente, is de behoefte in de kern Alphen circa 168 woningen.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past in de beleidskaders die gesteld worden in de woonvisie Alphen-Chaam 2018 - 2023. Met onderhavig bestemmingsplan wordt de planologisch-juridische mogelijkheid gerealiseerd om woningen toe te voegen aan de kern Alphen. Deze ontwikkeling geeft een positieve impuls aan de leefbaarheid van Alphen. Bij verdere uitwerking van de concrete bouwplannen zal verder zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de volkshuisvestelijke wensen en behoeftes.

3.3.3 Cittaslow- certificering

Alphen-Chaam is 26 juni 2010 als gemeente Cittaslow gecertificeerd en vormt nu samen met tien andere gemeenten 'Cittaslow' Nederland. Cittaslow is het internationale keurmerk voor gemeenten die op het gebied van leefomgeving, landschap, streekproducten, gastvrijheid, milieu, infrastructuur, cultuurhistorie en behoud van identiteit tot de top behoren. Het gaat hierbij om gemeenten met minder dan 50.000 inwoners. De oorsprong van Cittaslow ligt in Orvieto (Italië).

Gemeenten die aangesloten zijn bij het Nederlandse Cittaslow netwerk werken samen om de kwaliteit van leven te verbeteren door het authentieke te koesteren en nieuwe technieken in te zetten die vooruitgang mogelijk maken. Het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de leefomgeving is het allerbelangrijkst voor een Cittaslow gemeente. Dit betekent dat een gezond milieu, het versterken van de landschappelijke kwaliteiten en een goede infrastructuur hoog op de agenda staat.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling is niet strijdig met de uitgangspunten zoals die zijn geformuleerd door Cittaslow Nederland. De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving en draagt bij aan een intensiever gebruik van de bestaande infrastructuur.

Hoofdstuk 4 PLANOLOGISCH RELEVANTE ASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de ontwikkeling. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven. Daarnaast wordt er aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst.

4.1 Besluit milieueffectrapportage

Algemeen
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Omhier in de praktijk vorm aan te geven is de milieueffectrapportage ontwikkeld (zie met name hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer).

Gemeenten en provincies moeten per 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een milieueffectrapportage (MER) nodig is, via een zogenaamde m.e.r.-beoordeling. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0010.png"

Afbeelding 4.1: Doorloopschema M.e.r.-beoordeling

Onderzoek
In de bijlage bij het Besluit MER is opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De aan dit bestemmingsplan ten grondslag liggende ruimtelijke ontwikkelingen zijn niet m.e.r.-plichtig en niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Verder blijkt uit de overige relevante milieuparagrafen van dit bestemmingsplan dat het niet gaat om ‘belangrijke nadelige gevolgen’ waarbij een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden.

Conclusie
Vanuit de M.e.r.-wetgeving zijn er geen belemmeringen voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

4.2 Geluid

Algemeen
Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving.

De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Onderzoek
Ter beoordeling van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van De Ligt IV is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer (zie Bijlage 3). De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden.

Uit de rekenresultaten blijkt dat op de bouwgrens van de grondgebonden woningen en experimentele woonvormen de geluidbelasting ten gevolge van de N260 ten hoogste 53 dB bedraagt (incl. aftrek ex art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden. De geluidbelasting blijft echter onder de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB. Ten gevolge van de Schellestraat en Goedentijd is er geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde.

In de situatie voor het jaar 2029 is voor de N260 (ter plaatse van de Kapellekensbaan) gerekend met wegdekverharding SMA-NL5. Door het toepassen van een meer geluidreducerende wegdekverharding wordt het aantal overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde verminderd maar niet volledig weggenomen. Tevens heeft een geluidscherm in het overdrachtsgebied enkel effect op een klein aantal woningen. Dergelijke maatregelen zijn, gelet op de te verwachten kosten en het aantal woningen dat hier voordeel van ondervindt, niet doelmatig toe te passen. Indien geen geluidreducerende maatregelen worden genomen dienen hogere waarden worden vastgesteld. De verwachting is dat er geen geluidreducerende maatregelen worden genomen. Het college neemt gelijktijdig aan het ontwerpbestemmingsplan een ontwerpbesluit voor het vaststellen van 53 dB als hogere waarden voor de nieuwbouw van woningen binnen het bestemmingsplan 'De Ligt IV' te Alphen vanwege de N260 (ter plaatse van de Kapellekensbaan).

De geluidbelasting vanwege de 30 km per uur weg Goedentijd bedraagt ten hoogste 48 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder). De geluidbelasting vanwege de Beukenlaan en de Eikenlaan bedraagt ten hoogste 52 dB (exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder).

Hoewel formeel niet van toepassing bij 30 km/h wegen, wordt daarmee de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan de geluidbelasting daarmee als aanvaardbaar worden beschouwd en lijkt er voldoende borging te zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Cumulatieve geluidbelasting

Aangezien er sprake is van een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is de cumulatieve geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De cumulatieve geluidbelasting op de bouwgrens bedraagt voor een groot aantal toetspunten niet meer dan 53 dB. In het geval van een belasting van 53 dB of lager vereist het Bouwbesluit 2012 een karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van 20 dB.

Op een aantal plekken is de cumulatieve geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het geval van een verhoogde belasting stelt het bouwbesluit aanvullende eisen aan de gevel geluidwring. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 55 dB excl. aftrek ex artikel 110g Wgh. Met een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 22 dB wordt een binnenniveau van de karakteristieke ruimte van 33 dB gehaald.

Door de geluid reducerende maatregelen uit het Bouwbesluit 2012 komt het binnen-niveau van de karakteristieke ruimte ten gevolgen van wegverkeer niet boven de 33 dB. Met deze maatregel wordt de overlast beperkt tot een minimum. Hierdoor kan worden gesteld dat er een aanvaardbaar akoestisch klimaat heerst.

In het kader van het vooroverleg heeft de GGD een advies gegeven over de gezondheidsgerelateerde milieuaspecten waaronder het aspect geluid. De adviezen zijn beschreven in de notitie 'Milieuonderzoek de Ligt IV te Alphen en bijbehorende gezondheidsimpact'. Naar aanleiding van het advies is het akoestisch onderzoek aangepast. De notitie is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting.

Conclusie
Op een aantal woningen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. Omdat maatregelen stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke danwel financiële aard worden er geen geluidreducerende maatregelen genomen. Het college is voornemens voor de nieuwe woningen hogere waarden vast te stellen. Na het vaststellen van hogere waarden bestaan er vanuit het aspect wegverkeerslawaai geen belemmeringen voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

4.3 Externe veiligheid

Algemeen
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rondom een risicobron.

Onderzoek
Het plangebied bevindt zich in de buurt van twee risicobronnen, de N260 (Kapellekensbaan) en loonbedrijf Gebroeders Van Eijk, waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen.

N260
De N260 wordt slechts incidenteel gebruikt voor het vervoer van LPG. Uit tabel 1-4, bijlage 1 van het HART volgt dat er bij 23.330 vervoersbewegingen de drempelwaarde van 10% van de oriëntatiewaarde wordt overschreden bij een personendichtheid van 30 personen/ha. Een gemiddeld tankstation met een vergunde jaardoorzet van 1000 m3 LPG heeft gemiddeld 50 - 70 bevoorradingsmomenten per jaar. In een worst-case scenario passeert dan dus per tankstation 140 keer per jaar een vrachtwagen met gevaarlijke stoffen het plangebied. Omdat de weg alleen wordt gebruikt voor de bevoorrading van een zuidelijk gelegen tankstation en voor het bevoorraden van tankstations die net over de grens in België liggen, zal het aantal vervoersbewegingen ruimschoots onder de drempelwaarde van 23.330 vervoersbewegingen liggen (nog geen 10% van voorgenoemde waarde). Het groepsrisico wordt, ook na realisatie van het plan, verwaarloosbaar geacht.

In het kader van Artikel 7 Besluit externe veiligheid transportroutes moet in de ruimtelijke procedure beschouwd worden welke scenario's relevant zijn en moeten de mogelijkheden tot bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor de relevante scenario's worden behandeld. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van een fakkelbrand- en een BLEVE scenario. Hoewel het plangebied zich binnen het invloedsgebied van een plasbrand bevindt, worden binnen de effectafstand van een plasbrand geen verblijfsobjecten mogelijk gemaakt in het betreffende ruimtelijk plan. Over de weg worden geen toxische stoffen vervoerd. De scenario's plasbrand en toxisch zullen daarom niet worden beschouwd in de verantwoording van het groepsrisico.

Verantwoording groepsrisico

  • BLEVE
    Er zijn twee soorten BLEVES die op kunnen treden. Een koude BLEVE en een warme BLEVE. Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open. LPG komt vrij en ontsteekt direct. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de ketel doet oplopen De effecten van een warme BLEVE kunnen verder reiken dan de effecten van een koude BLEVE (circa 200 m om 240 m). Voor beide scenario's geldt dat er een vuurbal en een drukgolf ontstaat, met hittestraling, overdruk en scherfwerking tot gevolg.

Omdat het incident geen vooraankondiging kent, is het incident niet te bestrijden. In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 80 meter slachtoffer worden.

  • Fakkelbrand
    Bij het scenario fakkelbrand wordt uitgegaan van directe ontsteking van het uitstromende gas door statische of kinetische energie. Hierdoor ontstaat een fakkelbrand. Een fakkelbrand heeft hittestraling tot gevolg. Direct na de breuk is het uitstroomdebiet en daarmee de omvang van de fakkel het grootst. De eerste fase, 20 seconden na de breuk, is de warmtestraling het grootst. Een fakkelbrand bij een LPG tankwagen duurt voort tot alle LPG uit de tank verbrand is.

In het geval van een fakkelbrand is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen binnen de 100 procent-letaliteitscontour slachtoffer worden. Op grotere afstanden geeft het schuilen in of achter gebouwen de beste overlevingskansen. Echter, een dergelijk scenario kan optreden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde.

In geval van een fakkelbrand spuit aardgas onder hoge druk uit de tankwagen, voor de brandweer bestaat geen bestrijdingsstrategie om de bron te doven. De hulpdiensten kunnen zich na verloop van tijd bezig houden met het redden van slachtoffers, het koelen van panden in de omgeving en het bestrijden van secundaire branden.

Loonbedrijf Gebroeders Van Eijck
De risicobron bevindt zich op ruim 550 meter van het plangebied. Er is geen invloedsgebied van de risicobron bekend. Omdat de inrichting geen inrichting conform het Bevi is, geen PR-10-6 contour heeft, er uitsluitend bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen en het object een laag beschermingsniveau heeft volgens de risicokaart kan er worden aangenomen dat er geen sprake is van een groepsrisico ter hoogte van het plangebied.

Conclusie
Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat de externe veiligheidssituatie voor en na de vaststelling van het betreffende ruimtelijk plan vergelijkbaar is. Het vervoer van gevaarlijke stoffen heeft in beide situaties een zeer laag groepsrisico tot gevolg vanwege de lage vervoersintensiteit van gevaarlijke stoffen en de lage populatiedichtheid in het gebied. De toename van de populatie binnen het plangebied leidt niet tot een zichtbare toename van het groepsrisico en heeft dus geen achteruitgang van de externe veiligheidssituatie tot gevolg. Het plangebied heeft daarnaast naar verwachting geen effect op het groepsrisico van het nabijgelegen loonbedrijf. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.

4.4 Waterhuishouding

Algemeen
De waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten worden verantwoord in de watertoets. M.b.v. van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijk beleid toe te passen op het beoogde plangebied, waarbij op basis van de ontwikkelingen wordt gezocht naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting.

Hierbij dienen de volgende stappen te worden doorlopen:

  • m.b.t. waterkwantiteit, hergebruik, vasthouden, berging, afvoer;
  • m.b.t. waterkwaliteit schoonhouden, scheiden, zuiveren.

Uitgangspunten omgang met afstromend hemelwater
De planlocatie valt binnen het beheersgebied van waterschap Brabantse Delta. Ook voor Brabantse Delta is “hydrologisch neutraal ontwikkelen”speerpunt bij de ruimtelijke plannen in haar beheersgebied.

Het waterschap heeft een beleidsnota vastgesteld met uitgangspunten m.b.t. de watertoets. Hierin staan de de volgende principes centraal:

  • wateroverlastvrij bestemmen;
  • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;
  • doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer;
  • hydrologisch neutraal bouwen;
  • water als kans;
  • meervoudig ruimte gebruik;
  • voorkomen van vervuiling;
  • rekening houden met waterschapsbelangen.

Deze principes liggen in lijn met het landelijk beleid t.a.v. de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie.

Onderzoek

Het plangebied ligt op een dekzandplateau met weinig reliëf. Het plangebied bevindt zich tussen de 23,2 meter en 23,5 meter boven NAP. Dekzandplateau's werden vroeger voornamelijk in gebruik genomen door wonen en landbouw. De bodem bestaat voornamelijk uit eerdgronden.

Het plangebied wordt gezien als een droog gebied met een lage waterstand. De gemiddeld hoogste waterstand (GHG) is 140 cm of meer onder maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstaat (GLG) is 120 cm of meer onder maaiveld.

Rioleringsstelsel

Overeenkomstig het beleid van het waterschap Brabantse Delta dient te worden uitgegaan van een gescheiden inzameling van hemel-en afvalwater. Binnen het beschouwde gebied wordt het afvalwater naar de RWZI (Riel) afgevoerd en wordt het hemelwater m.b.v. een infiltratieriool in de bodem geïnfiltreerd.


In de oorsprongkelijke rioleringsberekeningen van De Ligt II en III is ook rekening gehouden met de realisatie van De Ligt IV. Er was zelfs sprake van een kleine overcapaciteit die deels is benut bij de realisatie van de twee zijwegen aan de Weegbree. Vanwege een hydraulisch probleem in het bovenstroomse deel van het hemelwaterriool in De Ligt III wordt geadviseerd om voor De Ligt IV een nieuw onafhankelijk hemelwaterstelsel met bergingsvoorziening te realiseren. Het huishoudelijk afvalwater kan op het reeds aanwezige vuilwaterstelsel (De Ligt II en III) worden aangesloten.

Randvoorwaarden en uitgangspunten stelsel ontwerp
Huishoudelijk afvalwater:

  • De droogweer afvoer (DWA) bedraagt maximaal 10liter/hoofd/uur c.q. 150 liter /hoofd/dag.

Hemelwater

  • Het infiltratieriool dient al het binnen het plangebied vrijkomende hemelwater ten gevolge van een bui die eenmaal per 10 jaar voorkomt (T=10) te kunnen bergen.
  • Overeenkomstig de normen van het Nationaal Bestuursakkoord Water mag er in bebouwd gebied maximaal 1x100 jaar sprake zijn van wateroverlast. Dit betekent dat het infiltratieriool en een noodzakelijke retentievoorziening gezamenlijk een bui T=100 moeten kunnen bergen.
  • Overeenkomstig de beleidregels van het waterschap dient een retentievoorziening in een zandgebied minimaal een inhoud te hebben van 780 m3 per ha verhard oppervlak. Om grondwaterovelast te voorkomen dient de waterberging boven de Gemiddelde Hoogste grondwaterstand (GHG) te worden gerealiseerd.
  • Volgens de 'Bodemkaart van Nederland' komt ter plaatse van de locatie grondwatertrap VIII voor. Dit betekent dat de GHG dieper dan 1,40 m min maaiveld ligt. Op basis van de grondwatertrap laat de ontwatering van het plangebied het beste categoriseren als “diep”. De gemeten freatische grondwaterstanden uit het verkennend bodemonderzoek “De Ligt IV” (Antea Group, juli 2017) liggen rond de 3,00 m beneden maaiveld. Ook is in het verkennend bodemonderzoek vastgesteld dat de bodem tot 5,00 m beneden maaiveld bestaat uit zand. Aangenomen wordt  dat zowel de grondwaterstanden als de infiltratiecapaciteit van de grond niet tot problemen zullen leiden. Bij het definitieve stelselontwerp zullen bovenstaande parameters nader worden bepaald en in de ontwerpberekening worden meegenomen.
  • Al het binnen het plangebied vrijkomende hemelwater wordt in de bodem geïnfiltreerd. Om te voorkomen dat er zich stoffen als bijvoorbeeld  koper, lood en zink zich in de bodem ophopen mogen er binnen het plangebied geen uitlogende bouwmaterialen worden toegepast. Hiermee wordt  voorkomen dat er schade aan de water(bodem)kwaliteit en ecologie wordt toegebracht.

Op basis van het voorlopig stedenbouwkundig ontwerp is de retentieopgave bepaald. Uitgangspunt daarbij is een omvang van het plangebied van circa 4,3 hectare. Als verhardingspercentage voor de woonkavels is uitgegaan van gemiddeld 50% van het uitgeefbaar gebied. De totale oppervlakteverharding komt daarmee - op basis van onderstaande verdeling - op afgerond 2,1 hectare (9.541+(50%*22.033). Op basis van deze verhardingstoename dient circa 1.625 m3 waterretentie te worden aangelegd. Hiervoor is ruimte voorzien in de centrale groenzone tussen de randweg en de nieuwe wijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0011.png"

Afbeelding 4.2: indicatieve ligging en oppervlaktes waterberging

Waterkwaliteit

Ten behoeve van de waterkwaliteit wordt geadviseerd om geen gebruik te maken van uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink. Hierdoor wordt de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen. Deze stoffen kunnen zich namelijk ophopen in het water (bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie.

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg is de waterparagraaf voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Per brief heeft het waterschap Brabantse Delta haar reactie gegeven. De reactie en de beantwoording zijn opgenomen in de Nota inspraak en vooroverleg. De Nota inspraak en vooroverleg is toegevoegd als Bijlage 12 bij de toelichting. Het waterschap heeft een positief wateradvies afgegeven. Naar aanleiding van de reactie zijn een aantal wijzigingen aan de waterparagraaf doorgevoerd.

Conclusie
De waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg ter goedkeuring voorgelegd aan het Waterschap.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).

Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd.

De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een intensieve veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, bijvoorbeeld een woning. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

Onderzoek
Geurhinder (Wet geurhinder en veehouderij)
In de omgeving van het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. Het aspect geurhinder staat hiermee niet in de weg aan de totstandkoming van dit bestemmingsplan.

Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven)
De planlocatie en de omgeving ervan kunnen worden aangemerkt als het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

In en nabij het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die conform de richtafstanden uit de voormelde VNG-brochure een belemmering zouden kunnen vormen voor de planvorming (en andersom). Naast de ruimtelijke ordeningaspecten is verder het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim/Wm/Bor) van toepassing. In dit besluit zijn voorschriften opgenomen waaraan de bedrijven zich dienen te houden om schade, gevaar of hinder naar de omgeving te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken.

Conclusie
In de nabijheid van het plangebied komt geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het bestemmingsplan. Daarnaast levert het bestemmingsplan ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven en woonfuncties.

4.6 Luchtkwaliteit

Algemeen
In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit maakt onderdeel uit van de Wet milieubeheer en bevat grenswaarden voor luchtkwaliteit. Conform de richtlijn van de EU gelden de grenswaarden voor de buitenlucht voor het gehele grondgebied van de lidstaten, met uitzondering van de werkplek. De uitvoeringsregels behorend bij de wet zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking treden.

De luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

In de Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekkinghebben op het begrip NIBM. De EU heeft medio 2009 derogatie verleend waarmee het NSL inwerking is getreden. De NIBM norm is daarbij opgeschoven naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De norm voor fijnstof (PM10) moet in 2011 gehaald zijn en de norm voor NO2 uiterlijk 1 januari 2015.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt de bouw van 1500 woningen.

Onderzoek
Onderhavig plan betreft de realisatie van circa 80 woningen. Er kan worden gesteld dat onderhavig plan in niet betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Daarnaast is er in het plangebied sprake van een gemiddelde concentratie PM10 van maximaal 19,04 µg/m3. Hierdoor wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. De advieswaarde van de WHO voor PM10 ligt op 20 µg/m3. Hier wordt aan voldaan.

In het kader van het vooroverleg heeft de GGD een advies gegeven over de gezondheidsgerelateerde milieuaspecten waaronder de luchtkwaliteit. De adviezen zijn beschreven in de notitie 'Milieuonderzoek de Ligt IV te Alphen en bijbehorende gezondheidsimpact'. De notitie is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting.

Voor wat betreft de luchtkwaliteit hanteert de GGD afstandscriteria voor de gezondheidseffecten van luchtkwaliteit gerelateerd aan wegverkeer. Aan de afstandscriteria van 300 meter bij een Rijksweg en 50 meter bij een drukke doorgaande weg tot eerstelijnsbebouwing wordt voldaan, omdat sprake is van tussengelegen bebouwing. Dit betekent dat vanuit gezondheid beschouwd ten aanzien van de beïnvloeding van de luchtkwaliteit door wegverkeer, deze locatie gunstig gelegen is voor de ontwikkeling van woningen.

Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het besluit NIBM geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.7 Ecologie

Algemeen
Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijk ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden in het plangebied en in de beïnvloedingszone. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. In de Natuurtoets wordt niet ingegaan op de Boswet.

Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.

Deze paragraaf beschrijft de in en rond het plangebied aanwezige natuurwaarden met bijzondere aandacht voor de dier(- en plant)soorten die een beschermde status genieten ingevolge de Wnb. De beschrijving is gebaseerd op de natuurtoets van 30 januari 2017. Het onderzoeksgebied bestaat uit het plangebied en de directe omgeving, tot zover de ontwikkeling mogelijk effect heeft op de te beschermen waarden.

Onderzoek
Er is een natuurtoets (Bijlage 4) uitgevoerd om te onderzoeken of het plan uitvoerbaar is vanuit de geldende natuurwetgeving. Hierop wordt onderstaand ingegaan.

Beschermde gebieden
Het plangebied bevindt zich niet in NNN- of Natura 2000-gebied. Er komen ook geen beschermde gebieden (NNN of N2000-gebieden) voor binnen de invloedsfeer van het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN en de Natura 2000-gebieden dan ook geen sprake.

Omdat in de natuurtoets is aangeven dat significant negatieve effecten (als gevolg van stikstofdepositie) op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten zijn, zijn de effecten van onderhavig bestemmingsplan op betreffende gebieden berekend met de Aerius Calculator.

De resultaten van de Aerius-berekening zijn verwerkt in de memo Aerius-berekening De Ligt IV d.d. 23 december 2019. Deze memo is opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies.

Voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling berekent Aerius Calculator voor beide fasen (de realisatiefase en de gebruiksfase) een bijdrage van niet meer dan 0,00 mol per ha per jaar op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebieden. Op basis van dit resultaat kan de geplande woningbouwontwikkeling doorgang vinden voor wat betreft het aspect stikstof; de Wet Natuurbescherming staat besluitvorming niet in de weg. Er kan worden geconcludeerd dat geen vergunning voor de Wet natuurbescherming hoeft te worden aangevraagd.

Dit rekenresultaat is tot stand gekomen door onder andere uit te gaan van kengetallen voor relatief schoon bouwmaterieel met werktuigen van minimaal stage 4 (2014) en vrachtwagens van minimaal Euro VI (2013). Bovengenoemde conclusies gelden dan ook alleen indien de werkzaamheden tijdens de bouw worden uitgevoerd met werktuigen van minimaal stageklasse 4 en vrachtwagens van minimaal Euro VI.

Beschermde soorten
Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) algemene broedvogels (nestplaatsen in beplanting) aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied.

Voor algemene broedvogels geldt dat het plan uitvoerbaar is, mits wordt gewerkt buiten het broedseizoen of het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt wordt gemaakt.

Conclusie
Mits uitvoering wordt gegeven aan de gestelde voorwaarden vormt het aspect ecologie geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.8 Verkeer en parkeren

Algmeen
In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan voor verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het plangebied.

Onderzoek
Verkeersgeneratie De Ligt IV Alphen
Als gevolg van de bouw van de voorziene woningen neemt het aantal verkeersbewegingen enigszins toe ten opzichte het huidige niveau. De nieuwe woonfunctie leidt echter niet tot een onaanvaardbare toename van de verkeersintensiteit/-druk op de Beukenlaan en de Weegbree.

Om de verkeersgeneratie van de woningbouwontwikkeling De Ligt IV in Alphen te bepalen, is gebruik gemaakt van de kencijfers uit de CROW-Publicatie 317: “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. In De Ligt IV komen in totaal circa 80 woningen, waaronder rijwoningen, patiowoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen.

Patiowoningen zijn niet als specifieke categorie opgenomen, voor deze woningen is gerekend met de categorie vrijstaande woningen.

Aan de hand van cijfers van CBS Statline is de stedelijkheidsgraad van de gemeente Alphen-Chaam bepaald, deze is 'niet stedelijk'. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van het gemiddelde. Voor de input van het aantal woningen per type is uitgegaan van het stedenbouwkundig plan. De verkeersgeneratie van De Ligt is hiermee als volgt:

Tabel 4.2: Verkeersgeneratie De Ligt IV

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0012.png"


In totaal genereert de nieuwe wijk 618 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde weekdag.

Verdeling van het verkeer
Aan de hand van tellingen, cijfers uit verkeersmodel Hart van Brabant en ervaringscijfers van de gemeente is een aanname gedaan voor de verdeling van het verkeer uit De Ligt.

Uit het verkeersmodel Hart van Brabant zijn de intensiteiten van de Chaamseweg en de Sint Janstraat afgeleid en de intensiteiten op de Schellestraat zijn gebaseerd op ervaringscijfers van de gemeente, omdat van deze wegen geen tellingen beschikbaar zijn. Op de provinciale weg zijn drie telpunten beschikbaar, één ten noorden van Alphen, één ten zuiden van Alphen en één op de Kapellekensbaan langs Alphen. Er is aangenomen dat het verkeer op de Kapellekensbaan hoofdzakelijk doorgaand verkeer is tussen Baarle-Nassau en Gilze en geen bestemming heeft in Alphen. Het verkeer dat ten noorden of ten zuiden van Alphen rijdt en niet op de Kapellekensbaan, wordt uitgegaan dat dit bestemmingsverkeer in Alphen is.

Hieruit komt de volgende verdeling van het verkeer:

  • 50% van en naar Gilze;
  • 20% van en naar Baarle-Nassau;
  • 10% van en naar Chaam;
  • 10% van en naar de Schellestraat;
  • 10% van en naar de Sint Janstraat.

Van de 618 motorvoertuigen gaan er dus op een gemiddelde weekdag:

  • 309 mvt van en naar Gilze;
  • 124 mvt van en naar Baarle-Nassau;
  • 62 mvt van en naar Chaam;
  • 62 mvt van en naar Schellestraat;
  • 62 mvt van en naar Sint Janstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1723.BPdeligtIV-VS01_0013.png"

Afbeelding 4.3: Verdeling van het verkeer

Parkeren
Naast een goede ontsluiting streeft de gemeente Alphen-Chaam naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting afdoende moet zijn en dat er, wat betreft de vrijstaande woningen en tweekappers, voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd moet en kan worden. Op 14 maart 2019 is de 'Nota parkeernormen Alphen-Chaam 2019 vastgesteld. Hierin worden de parkeernormen genoemd waaraan voldaan moet worden.

De locatie De Ligt IV ligt buiten het centrum van Alphen. Bij woningen met een oppervlakte groter dan 90 m2 geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Bij woningen kleiner dan 90 m2 geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning.

Conclusie
Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de functiewijziging die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

4.9 Cultuurhistorie

Algemeen
Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed.

In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Beleid provincie Noord-Brabant
In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Onderzoek
Uit de Cultuur Historische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat er ter plaatse van onderhavig plangebied geen bijzondere cultuurhistorische waarden gelegen zijn. De ontwikkeling van de woningen hebben dan ook geen negatieve uitwerking op eventuele cultuurhistorische waarden.

Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.10 Archeologie

Algemeen

Verdrag van Malta en Wet op de Archeologische Monumentenzorg

Het Verdrag van Malta, ook wel het verdrag van Valletta genoemd, is een Europees verdrag dat in 1992 is ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag is er op gericht het bodemarchief beter te beschermen. Het bodemarchief bestaat uit alle archeologische waarden die zich in de bodem bevinden. Deze archeologische waarden dienen op een integrale wijze beschermd te worden, waarbij de volgende drie principes gelden:

  • 1. Tijdig rekening houden met eventuele aanwezigheid van archeologische waarden: Het is belangrijk dat bij de ruimtelijke inrichting van een gebied tijdig rekening gehouden wordt met mogelijk aanwezige archeologische resten. Daarom dient voorafgaand aan een nieuwe ontwikkeling onderzoek plaats te vinden naar archeologische waarden in de bodem van het plangebied. Hierdoor kunnen tijdig archeologievriendelijke alternatieven gezocht worden en wordt tevens een stukje onzekerheid tijdens de bouw van de ontwikkelingen weggenomen, doordat vooraf duidelijk is of er al dan niet archeologische resten in bodem te verwachten zijn.
  • 2. Behoud in situ: Er wordt naar gestreefd archeologische waarden in de bodem te bewaren (behoud in situ). In de bodem blijven de resten immers goed geconserveerd.
  • 3. Verstoorder betaalt: Degene die verantwoordelijk is voor het verstoren van de grond dient te betalen voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarden, wanneer behoud in situ niet mogelijk is.

Dit verdrag is in 2007 vertaald naar de Nederlandse situatie middels de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz). Onder deze wet, een wijzigingswet die onder andere de Monumentenwet 1998 heeft gewijzigd, zijn de gemeenten de bevoegde overheid inzake archeologie geworden. Zij dienen het aspect archeologie onder meer te borgen in nieuwe bestemmingsplannen.

Onderzoek

Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het plangebied is een Programma van Eisen opgesteld (Bijlage 5), waarin de randvoorwaarden voor het uit te voeren archeologisch onderzoek zijn beschreven. Er wordt geen bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn immers in het verleden een aantal belangrijke onderzoeken uitgevoerd die direct te koppelen zijn aan het huidige plangebied (De Ligt II en De Ligt III). Bij De Ligt II is een vindplaats uit de ijzertijd aangetroffen. Voor De Ligt III geldt dat hier geen nederzetting uit de ijzertijd is aangetroffen, maar wel een loopvlak uit diezelfde periode. Dit betekent dat de bodem niet verstoord is.

Nader onderzoek

Op diverse momenten is in 2017 een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. De eerste fase betrof daarbij een archeologisch proefsleuvenonderzoek waarop een doorstart naar verschillende opgravingen volgde. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in het rapport IVO-P en Archeologische Opgraving De Ligt IV Alphen d.d. 26 november 2018. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 6 bij de toelichting. Hierna zijn de conclusies opgenomen.

Tijdens de archeologische opgraving in het plangebied De Ligt IV werden twee vindplaatsen aangetroffen. De eerste, niet behoudenswaardige vindplaats, betreft een agrarisch greppelsysteem dat dateert uit de nieuwe tijd. De tweede vindplaats betreft een nederzettingsterrein dat waarschijnlijk een continuering kent vanaf de ijzertijd tot de Romeinse tijd, maar mogelijk al vanaf de midden bronstijd. In het veld werden geen gebouwstructuren herkend. Pas tijdens de uitwerking werd een aantal (onvolledige) (gebouw)structuren gereconstrueerd die vervolgens tot een aantal erven zijn samengebracht. De onvolledigheid van de structuren is te verklaren door het feit dat tijdens de opgraving alleen de uiterste onderkanten van de sporen zijn aangetroffen. Veel van de sporen waren hierdoor mogelijk niet meer zichtbaar in het archeologisch vlak. Er is maar weinig vondstmateriaal afkomstig uit de verschillende (paal)kuilen, waardoor het helaas niet mogelijk is om een onderscheid te maken tussen verschillende erven en bewoningsperioden. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat al deze erven gelijktijdig in gebruik waren. Het uitgevoerde onderzoek sluit goed aan bij de resultaten zoals bekend van de plangebieden De Ligt II en De Ligt III. Ook hier werden resten uit de ijzertijd aangetroffen. Er was hier echter geen sprake van resten uit de Romeinse tijd. Ook het ontbreken van waterputten (ook binnen de opgraving van De Ligt II) is opvallend te noemen. Mogelijk is deze locatie in het verleden juist gekozen vanwege de directe nabijheid van het beekdal van de Oude Leij, zodat er geen waterputten noodzakelijk waren op de erven. Dit beekdal was ook interessant vanwege de voedselvoorzieningen hier. Ook is het mogelijk dat er in de omgeving van het plangebied kleine ondiepe waterstromen aanwezig waren, die niet teruggezien zijn in het archeologisch vlak.

De opgraving op De Ligt IV is een aanvulling op de onderzoeken die in de kern van Alphen zijn uitgevoerd. Met het gravend onderzoek is een behoud ex situ gerealiseerd van de archeologische vindplaats binnen het plangebied.

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

4.11 Bodem

Algemeen
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering.

Het historisch onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de reeds bekende bodemkwaliteitsgegevens, potentieel bodembedreigende activiteiten en potentieel bodembedreigende installaties. Op basis van het vooronderzoek kan worden bepaald of de bodemkwaliteit mogelijk belemmeringen op kan leveren voor de functiewijziging die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Het vooronderzoek dient tevens als basis voor het vaststellen van het onderzoeksprogramma van het verkennend bodemonderzoek.

Onderzoek
Om een algemeen beeld van de bodemkwaliteit te krijgen, zijn de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart van de regio Brabant (2011) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond voldoet aan de klasse Achtergrondwaarden. Uit de bodemfunctieklassenkaart blijkt dat de locatie in een gebied is gelegen dat de functie Wonen heeft.

In het uitgevoerde onderzoek (zie Bijlage 7) zijn overeenkomstig de NEN 5725 de uit milieuhygiënische oogpunt verdachte activiteiten en bekende bodemverontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Op basis van de bekende gegevens zijn geen bodembedreigende activiteiten op de locatie gesitueerd geweest.

Voor zover bekend hebben er op de onderzoekslocatie geen calamiteiten of overtredingen van voorschriften in het kader van de Wet milieubeheer en/of Wet bodembescherming en/of andere milieuregelgeving plaatsgevonden.

Nader onderzoek

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt niet verwacht dat de bodemkwaliteit belemmeringen oplevert voor de functiewijziging die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Om deze verwachting te bevestigen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in het rapport Verkennend bodemonderzoek De Ligt IV te Alphen-Chaam d.d. 4 oktober 2017. In het uitgevoerde bodemonderzoek is overeenkomstig de NEN 5740 de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Het rapport is opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting. Hieronder zijn de conclusies opgenomen.

De analyseresultaten van de onderzochte grondmengmonsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat zowel de boven- als ondergrond voldoet aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde (AW 2000).

In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan zware metalen (barium, zink, cadmium en/of koper) aangetoond. Dergelijke verhoogde concentraties aan zware metalen, zonder verklaarbare bron of oorzaak, worden in de regio vaker aangetroffen en worden in dergelijk gevallen gerelateerd aan regionaal verhoogde achtergrondwaarden.

De vooraf opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ dient strikt genomen te worden verworpen vanwege de verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater. De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming echter geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen geen milieuhygiënische belemmering voor het gebruik van de locatie als woonwijk.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.12 Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen
Het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik is een belangrijk onderdeel van de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Verordening ruimte 2014. Daarmee wil de provincie Noord-Brabant de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag afremmen en daarmee de huidige omvang van het bestaand stedelijk gebied zoveel mogelijk behouden. Het benutten van nieuwe ruimte voor stedelijke ontwikkeling is pas aan de orde, als gebleken is dat deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, ook niet in andere kernen binnen de desbetreffende gemeente. In feite gaat het hier om de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

Onderzoek

Door Antea Group is een ladderonderbouwing opgesteld. De Ladder voor duurzame verstedelijking d.d. 27 juni is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting. Hieronder is de conclusie van de ladderonderbouwing opgenomen.

De woningbehoefte van de kern Alphen kan niet in zijn geheel binnen het bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. De uitbreidingslocatie De Ligt IV biedt als aanvulling op de locaties binnen bestaand stedelijk gebied voldoende ruimte om grondgebonden vrijstaande- en twee-onder-eenkapwoningen en betaalbare (huur)woningen en bijzondere woonvormen zoals zorgwoningen te realiseren. De mogelijkheden om dit programma (in aantal en woningtype) binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren, ontbreken. Met het doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals voorgeschreven in artikel 3.1.6, lid 2, Bro, is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan de criteria van zorgvuldig ruimtegebruik.

Tevens dienen conform regionale afspraken uitleglocaties regionaal bestuurlijk te worden afgestemd. Op bladzijde 8 van het 'Perspectief op wonen & woningbouw' is onder punt 0 opgenomen dat uiterlijk in januari 2018 de gemeenten in kleiner verband alle genoemde plannen met elkaar in beeld brengen en toelichten. Op 15 januari 2018 heeft een bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen de wethouders van de gemeente Alphen-Chaam en de gemeente Baarle-Nassau. Hier is bijgaand verslag van gemaakt (zie Bijlage 10). Vervolgens is dit verslag, geheel in lijn met het Perspectief op wonen & woningbouw, op 8 maart 2018 gepresenteerd in het bestuurlijk subregionaal (Breda e.o.) overleg. In dit bestuurlijk overleg is kennis genomen van het resultaat van dit overleg. Er zijn geen opmerkingen gekomen vanuit de regio.

Conclusie

Het realiseren van de woningbouwontwikkeling ‘De Ligt IV’ buiten het bestaand stedelijk gebied, wordt op grond van deze onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking, aanvaardbaar geacht. Tevens is de woningbouwontwikkeling regionaal afgestemd. De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de woningbouwontwikkeling 'De Ligt IV'.
 

4.13 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig, die een belemmering zouden kunnen vormen voor onderhavige ontwikkeling.

4.14 Duurzaamheid

Algemeen

Op 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie (Wet VET) in werking getreden. Met deze wijzigingswet worden de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet gewijzigd. Het gevolg hiervan is dat netbeheerders niet langer wettelijk verplicht zijn om nieuwbouw voor kleinverbruikers (verbruikers met een doorlaatwaarde van ten hoogste 40 m3 per uur) aan te sluiten op het gasnet. Omdat netbeheerders slechts wettelijke taken mogen uitvoeren, komt dit in de praktijk neer op een verbod: netbeheerders mogen nieuwbouw voor kleinverbruikers vanaf 1 juli 2018 niet meer van een gasaansluiting voorzien. Via een wijziging is ook het Bouwbesluit in overeenstemming gebracht met de wijziging van de Gaswet. Voor woningen en kleine bedrijven betekent dit dat vanaf 1 juli 2018 gekozen moet worden voor een andere vorm van verwarming dan aardgas.

Om aan de Wet VET en andere klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen te kunnen voldoen, is het noodzakelijk om bij ontwikkelingen als De Ligt IV het aspect duurzaamheid een prominente plaats te geven in het planvormingsproces. De discussie rondom duurzaamheid wordt immers steeds concreter en de veranderingen in denken gaan momenteel snel. Als de wens om de klimaatdoelstellingen te halen daadwerkelijk gehaald willen worden, is het noodzakelijk om te gaan versnellen en anders na te denken over de inrichting van onze ruimte.

Onderzoek

De gemeenteraad van Alphen-Chaam heeft gevraagd om voor de ontwikkeling van De Ligt IV meer aandacht te schenken aan het aspect duurzaamheid. Antea Group / CroonenBuro5 heeft in opdracht van de gemeente aan de hand van een aantal werksessies de Nota Duurzaamheid d.d. 15 mei 2018 opgesteld voor de verduurzaming van de woonwijk De Ligt IV. Deze Nota is opgenomen als Bijlage 11 bij de toelichting. De Nota Duurzaamheid heeft onder andere geleid tot het aanpassen van het stedenbouwkundig plan. Daarnaast worden de woningen gasloos gerealiseerd.

Conclusie

Met het aspect duurzaamheid is voldoende rekening gehouden. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van De Ligt IV.

4.15 Volksgezondheid

Algemeen

Veehouderijen in de buurt van het plangebied kunnen van invloed zijn op de volksgezondheid en daarmee op een acceptabel woon- en leefklimaat. Van het plan zelf gaan geen negatieve effecten voor de volksgezondheid uit naar de omgeving omdat sprake is van plan voor uitsluitend woningbouw.

Rondom pluimveehouderijen hebben mensen een grotere kans op een longontsteking. Dit verband is tussen 2009 en 2013 elk jaar te zien. Dit is in 2016 in het hoofdrapport Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) ook al geconcludeerd, maar een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken bevestigt deze conclusies en onderbouwt ze steviger. Het gaat gemiddeld om ongeveer 119 extra patiënten met longontsteking per jaar per 100.000 mensen in het onderzoeksgebied. Dat komt neer op ongeveer 7,2% extra patiënten. Er zijn sterke aanwijzingen dat fijnstof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten.

Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009-2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. De Q koortsepidemie heeft waarschijnlijk tijdens de vroege jaren bijgedragen aan het verhoogde aantal longontstekingen. Het is echter geen verklaring van het verhoogde risico vanaf 2011. Wat deze toename wel veroorzaakt, is nog onduidelijk. Een wat positiever onderzoeksresultaat is dat bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen astma en neusallergie minder voor komen.

Een toetsingskader voor geitenhouderijen ontbreekt op dit moment. Eerst moet bovendien de exacte oorzaak nog in beeld komen. Daarvoor vindt nu (vervolg)onderzoek plaats. Als de oorzaak wetenschappelijk is aangetoond kunnen er namelijk ook pas gerichte maatregelen volgen.

In 2018 is een nader VGO onderzoek uitgevoerd (VGO-3). Dit onderzoek is gericht op de periode 2014 tot en met 2016. Als resultaat van het onderzoek blijkt dat rondom pluimveehouderijen mensen geen grotere kans hebben op longontsteking. De eerder gevonden associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en het voorkomen van longontstekingen binnen een reikwijdte van 2 kilometer wordt met dit onderzoek, voor de periode 2014-2016, bevestigd. Aandoeningen als astma en hooikoorts blijken al enige jaren significant minder vaak voor te komen binnen een straal van 1 kilometer van een geitenbedrijf. 

Onderzoek

Geur

Ter plaatse van de Goedentijd 41 bevindt zich de dichtstbijzijnde veehouderij. Deze veehouderij wordt gezien als leidend voor de voorgrondgeurbelasting in de nieuwe woonwijk. Voor de veehouderij aan de Goedentijd 41 is de voorgrondbelasting (individuele geurbelasting) berekend. Deze voorgrondgeurbelasting bedraagt maximaal 3,0 ouE/m3 op de dichtstbijzijnde nieuwe woningen. Er wordt daarmee voldaan aan de wettelijke norm van 4 ouE/m3 die geldt op basis van de gemeentelijke verordening. Aan de advieswaarde van de GGD, te weten 2 ouE/m3, wordt niet voldaan. Dit betekent dat op basis van deze gegevens meer dan 12% geurgehinderden kan voorkomen.

Daarnaast is de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) berekend. De achtergrondbelasting in het plangebied bedraagt maximaal 4,6 ouE/m3. Een dergelijke belasting wordt vanuit ruimtelijke ordening gecategoriseerd tot een goed woon- en verblijfsklimaat. De GGD hanteert een maximale gezondheidskundigeadvieswaarde van 5 ouE/m3 voor de achtergrondconcentratie voor een woonkern. Hier wordt aan voldaan. Dit betekent dat op basis van de dosisresponsrelatie uit het onderzoek van Geelen et al. het percentage geurgehinderden in de nieuwbouwwijk als gevolg van de achtergrondgeurbelasting lager ligt dan het vanuit gezondheid als maximum gehanteerde percentage geurgehinderden van 12%. Hierbij wordt opgemerkt dat de daadwerkelijke geurhinder in de praktijk anders kan liggen doordat er in de directe nabijheid ook veehouderijen zijn gelegen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Deze zijn niet in de berekening meegenomen. Daarnaast wordt de beleving van geur beïnvloed door niet-geur gerelateerde factoren zoals bijvoorbeeld vertrouwen in de overheid en de houding ten opzichte van de bron.

Endotoxinen

Uit het endotoxine toetsingskader 1.0 volgt op basis van de fijnstofemissie een aan te houden afstand van 52 meter. Binnen deze afstand wordt de WHO-waarde van 30 EU overschreden. De afstand tussen het dichtstbijzijnde emissiepunt van deze veehouderij en het plangebied bedraagt 233 meter, waardoor ruimschoots aan het aan te houden afstandscriterium wordt voldaan.

Wel geldt dat er in de directe nabijheid meerdere veehouderijen zijn gelegen, waarbij het niet mogelijk is voor alle diersoorten de endotoxine richtafstand te bepalen. Verder is het op dit moment niet mogelijk om de cumulatie van endotoxinen te berekenen. Geadviseerd wordt om de ontwikkelingen op dit terrein te blijven volgen. Op korte termijn wordt nieuwe informatie verwacht.

Geitenhouderijen

Gelet op de aanwezigheid van twee geitenhouderijen binnen een straal van 2 kilometer, is er een verhoogde kans op longontsteking in het plangebied. Wanneer er meerdere geitenhouderijen in de direct omgeving zijn gelegen, neemt de kans op longontsteking toe, al is niet bekend hoeveel. De relatie tussen de aanwezigheid van geitenhouderij en het verhoogd risico op longontsteking is dus nog niet bekend. Preventieve maatregelen zijn dus niet te nemen. Nader onderzoek hiernaar vindt plaats. Het wordt aanbevolen om de ontwikkelingen op dit gebied te blijven volgen en daarnaast het verhoogd risico als één van de afwegingscriteria in de besluitvorming mee te nemen en toekomstige bewoners hierover te informeren.

Advies

In het kader van het vooroverleg heeft de GGD een advies gegeven over de gezondheidsgerelateerde milieuaspecten waaronder aspecten geurhinder, endotoxinen en geitenhouderijen. De adviezen zijn beschreven in de notitie 'Milieuonderzoek de Ligt IV te Alphen en bijbehorende gezondheidsimpact' en zijn verwerkt voorliggende paragraaf. De notitie is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting.

Afweging

Mede gelet op de aard, situering en het belang van het plan verdient het in algemene zin aangetoonde verhoogde risico een afweging. Er is sprake van een versnelde transitie in de veehouderij. Allerlei innovatieve ontwikkelingen beperken, zo niet in zijn geheel dan toch in beduidende mate, de emissie en immissie van aan gezondheid te relateren stoffen. Als tijdelijke voorzorgsmaatregel heeft de provincie Noord-Brabant in 2017 besloten tot een moratorium die bouw en ingebruikname van nieuwe geitenstallen verbiedt. Door deze voorzorgsmaatregel en het toekomstperspectief is eventueel wachten met de voorliggende planontwikkeling niet opportuun en gewenst. Het sociaal-maatschappelijk belang van de met het plan beoogde woningbouw in Alphen is groot en is van doorslaggevende betekenis in de hierbij gemaakte afweging.

Aanvulling afweging

Met de ingediende zienswijze op 2 september 2019 stelt de provincie dat het maatschappelijk/sociaal belang van het plan De Ligt IV groot is, maar de gezondheidsaspecten ook van groot belang zijn. De provincie heeft het verzoek ingediend om de bovengenoemde afweging aan te vullen op basis van de volgende punten:

  • specifieke bedrijfssituatie van de geitenhouderijen;
  • wanneer de oorzaken bekend zijn meewerken aan bedrijfsgerichte maatregelen om uitstoot van stoffen te minimaliseren en de kans op longontsteking te verkleinen;
  • omvang van de woningbouw relateren aan de afstand tot de geitenhouderijen;
  • geen woningen dichterbij de geitenhouderijen te bouwen dan de bestaande woningen;
  • afstemming met de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit over dierenaantallen in relatie met de vergunning.

Binnen de 2 kilometer van het plangebied zijn twee geitenhouderijen aanwezig. Op 800 meter ligt een geitenhouderij aan de Boslust 13a te Alphen en op 1.500 meter ligt een geitenhouderij aan de Oosterwijksestraat 7 te Alphen. Beide geitenhouderijen beschikken over traditionele stallen die voldoen aan de maximale emissie-eisen. Op dit moment is niet bekend op welke wijze deze geitenhouderijen invulling gaan geven aan de provinciale regels. Uiterlijk 1 januari 2021 dient dit bekend te zijn. Aanpassing van de stallen zal positief bijdragen aan mogelijke gezondheidsrisico's. Toepassen van emissiereducerende staltechnieken leidt immers tot minder emissies naar de directe omgeving.

Het plangebied voorziet in de realisatie van maximaal 80 woningen. Deze sluiten aan op de bestaande kern Alphen. De te realiseren woningen worden niet dichter in de richting van de genoemde geitenhouderijen gerealiseerd. Er liggen bestaande woningen dichterbij de geitenhouderijen dan de woningen die voorzien zijn in het plangebied.

De geitenhouderijen Boslust 13a en Oostwijksestraat 7 liggen respectievelijk zuidoostelijk en noordoostelijk van het plangebied. De windrichting is mede van invloed op verspreiding van ziekteverwekkende stoffen. Omdat de meest voorkomende windrichting in Nederland zuidwestelijk is, kan worden gesteld dat de mogelijke verspreiding van ziekteverwekkende stoffen door de twee geitenhouderijen niet in betekende mate bijdraagt.

Het onderzoek 'veehouderij en gezondheid omwonende (VGO) geeft aan dat de longfunctie kan verminderen van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Deze verminderingen wordt gevonden bij 15 of meer agrarische bedrijven binnen één kilometer afstand. Binnen één kilometer afstand van het plangebied liggen 10 veehouderijen van verschillende aard. Omdat dit verband niet samenhangt met een bepaald type veehouderij kan voor het plangebied gesteld worden dat de aanwezigheid van de 10 veehouderijen geen verhoogd gezondheidsrisiso met zich brengt voor de toekomstige bewoners van De Ligt IV.

Toekomstige bewoners worden gewezen op de aanwezigheid van de twee geitenhouderijen op 800 en 1.500 meter van het plangebied. Indien er meer bekend is over de gezondheidsrisico's én als blijkt dat geitenhouderijen hierop van invloed zijn zal de gemeente in overleg met de geitenhouderijen trachten (preventieve) maatregelen te treffen die het risico verlagen.

Conclusie

Op basis van de afweging vormt het aspect volksgezondheid geen belemmering voor de ontwikkeling in het voorliggende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 JURIDISCHE ASPECTEN

5.1 Algemene opzet

In de geest van de Omgevingswet is gekozen voor een globaal bestemmingsplan. Concreet houdt een globaal bestemmingsplan in dat het bestemmingsplan niet op verkavelingsniveau is uitgewerkt, maar dat alleen de grote en belangrijke structuren zijn opgenomen in de verbeelding van het bestemmingsplan. Het onderhavig bestemmingsplan is vervat in een eenvoudige juridische regeling, waarbij gebruik is gemaakt van zo min mogelijk bestemmingen.

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en bestemmingsplanregels die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. De nieuwbouwwoningen binnen het plangebied worden mogelijk gemaakt binnen de bestemmingen 'Wonen - 1' en 'Woongebied'. De bestemming 'Woongebied' betreft een globale bestemming waardoor er flexibiliteit ontstaat bij de nadere invulling van de verkaveling zonder de hoofdstructuur van het plan aan te tasten.

5.2 Toelichting op de verbeelding

De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken zijn gebaseerd op de ontwikkelingsschetsen. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

5.3 Toelichting op de bestemmingsplanregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Artikel 1 Begrippen
In het eerste artikel, “begrippen”, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP 2012 en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Artikel 2 Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de “wijze van meten” uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de “wijze van meten” worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk omvat de op de afzonderlijke bestemming gerichte regels en omvat bij onderhavig bestemmingsplan de volgende artikelen:

Artikel 3 Groen

De gronden aangewezen met 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, plantsoenen en groenstroken, speelvoorzieningen, voet- en rijwielpaden, ontsluitingswegen en –paden, voorzieningen van beeldende kunst, voorzieningen van algemeen nut, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeervoorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken en voorzieningen.

Voor het bouwen van gebouwen geldt uitsluitend gebouwen van algemeen nut, gebouwen ten behoeve van speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. De maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter en de maximale oppervlakte bedraagt 15 m2. De bouwhoogten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn opgenomen in artikel 3.2.3 van de regels.

Artikel 4 Tuin - 1

De gronden aangewezen met 'Tuin - 1' zijn bestemd voor tuin, met de daarbij behorende in- en uitritten, ontsluitingswegen en –paden, waterpartijen, terrassen en bouwwerken. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd ten dienste van de hierboven genoemde bestemmingsomschrijving, met uitzondering van speeltoestellen. Tevens zijn erkers behorende bij het op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw toegestaan.

Artikel 5 Tuin - 2

De gronden aangewezen met 'Tuin - 2' zijn bestemd voor tuin en de uitoefening van aan huis gebonden beroepsmatige activiteiten door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot ten hoogste 30% van het oppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum van 45 m², met de daarbij behorende in- en uitritten, ontsluitingswegen en –paden, waterpartijen, terrassen en bouwwerken. Het maximale bebouwingspercentage, gerekend over het gehele bouwperceel, bedraagt 60%.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

De gronden aangewezen met 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verkeers- en verblijfsgebied voor langzaam en gemotoriseerd verkeer met de daarbij behorende paden, wegen en bijbehorende voorzieningen zoals parkeer-, groen-, speel- en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor gebouwen geldt een maximum bouwhoogte van 3 meter en een maximum oppervlakte van 14 m2. De bouwhoogten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn opgenomen in artikel 6.2.3 van de regels.

Artikel 7 Wonen - 1

Op gronden bestemd als 'Wonen - 1' zijn gestapelde woningen en grondgebonden woningen, uitsluitend in de vorm van patiowoningen, toegestaan. Gebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. Binnen de bestemmingen 'Woongebied' en 'Wonen - 1' mogen gezamenlijk maximaal 80 woningen worden opgericht. Per woning is maximaal één huishouden toegestaan. De maximale bouwhoogte bij de patiowoningen bedraagt 7 meter en de maximale bouwhoogte bij de gestapelde woningen bedraagt 10 meter.

Artikel 8 Wonen - 2

Op gronden bestemd als 'Wonen - 2' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak is maximaal één woning toegestaan.

Het bouwvlak mag in zijn geheel worden bebouwd, met dien verstande dat over het gehele bouwperceel het maximale bebouwingspercentage niet meer dan 60% mag bedragen. Voor hoofdgebouwen geldt een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 8 meter.

Artikel 9 Woongebied
Op gronden bestemd als 'Woongebied' zijn vrijstaande-, twee-aaneen gebouwde- en aaneen gebouwde woningen toegestaan, met de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen, erven en verhardingen en andere bijbehorende voorzieningen zoals groen-, water en waterhuishoudkundige-, parkeer- en speelvoorzieningen. Tevens zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van aan huis gebonden beroepsmatige activiteiten door de hoofdbewoner(s) van het hoofdgebouw tot ten hoogste 30% van het oppervlak van hoofd- en bijgebouwen tot een maximum van 45 m². Binnen de bestemmingen 'Woongebied' en 'Wonen - 1' mogen gezamenlijk maximaal 80 woningen worden opgericht. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'.


Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel
Bij de formulering van de algemene gebruiksregels is een algemene formulering aangehouden. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit maakt het noodzakelijk dat de bestemmingsomschrijving voldoende duidelijk is.

Artikel 11 Algemene bouwregels
Deze regels gegeven aan dat bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet, maar in afwijking van dit bestemmingsplan gerealiseerd zijn, zijn toegestaan. Herbouw van deze bestaande gebouwen is niet toegestaan.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels
In dit artikel is geregeld welke vormen van gebruik in strijd zijn met het bestemmingsplan. het betreft hier onder andere het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
Onderhavig bestemmingsplan omvat een mogelijkheid voor burgermeester en wethouders om middels een omgevingsvergunning (onder diverse voorwaarden) af te wijken van de bestemmingsregels voor een overschrijding van de in het plan voorgeschreven maatvoeringseisen met ten hoogste 10%.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels
In deze algemene wijzigingsregels wordt de mogelijkheid geboden om middels een wijzigingsplan wijzigingen aan te brengen in onder andere de bestemmingsgrenzen en de bouwvlakken. Mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding en er geen bestemmingsplangrenzen overschreden worden.

Artikel 15 Algemene procedureregels
De procedure regels die gelden bij toepassing van een afwijkings- of wijzigingsmogelijkheid zijn vastgelegd in artikel 13.


Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht
Dit artikel heeft betrekking op bestaande legale situaties (bestaande bouwwerken en bestaand gebruik) die afwijken van de (nieuwe) bestemming. Het overgangsrecht beschermt de gevestigde belangen of rechten bij een nieuwe, van de bestaande situatie afwijkende regeling, met als doel het uiteindelijk beëindigen van de afwijkende situatie. Voorheen illegale bebouwing en illegaal gebruik worden met het overgangsrecht niet gelegaliseerd.

Artikel 17 Slotregel
In de Slotregel van het bestemmingsplan wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. In dit geval kunnen de regels van het bestemmingsplan aangehaald worden als “Regels van het bestemmingsplan De Ligt IV”.

Hoofdstuk 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

6.2 Toepassing grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhalen van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

6.3 Economische uitvoerbaarheid

De gronden van het plangebied zijn in eigendom van de gemeente Alphen-Chaam. De gemeente heeft de exploitatie van het plan inzichtelijk. Het plan is economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 OVERLEG EN INSPRAAK

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeesters en wethouders overleg met de besturen van de bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

Vanuit de provincie Noord-Brabant en het waterschap Brabantse Delta zijn vooroverlegreacties ingediend. Voor een samenvatting en beantwoording van deze binnengekomen overlegreacties wordt verwezen naar de Rapportage inspraak en vooroverleg welke als Bijlage 12 is toegevoegd aan onderhavig plan.

7.2 Inspraak

Het gemeentebestuur kan op grond van de inspraakverordening de ingezetenen van de gemeente en belang hebbende natuurlijke personen en rechtspersonen bij de voorbereiding van (herziening van) bestemmingsplannen betrekken. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken.

De bekendmaking inzake de inspraakprocedure voorontwerpbestemmingsplan De Ligt IV is gepubliceerd op de gemeentelijke website en in “Ons weekblad”.

In het kader van de inspraakprocedure heeft het onderhavige beleidsvoornemen met ingang van 17 oktober 2017 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden ingezetenen van de gemeente en overige in de gemeente belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling een inspraakreactie kenbaar maken.

Voor een samenvatting en beantwoording van de binnengekomen inspraakreacties en ambtelijke aanpassingen wordt verwezen naar de Rapportage inspraak en vooroverleg welke als Bijlage 12 is toegevoegd aan onderhavig plan.

In het kader van het vooroverleg heeft de GGD een advies gegeven over de gezondheidsgerelateerde milieuaspecten waaronder aspecten geurhinder, endotoxinen en geitenhouderijen. De adviezen zijn beschreven in de notitie Milieuonderzoek de Ligt IV te Alphen en bijbehorende gezondheidsimpact en zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. De notitie van de GGD is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting.

7.3 Tervisielegging

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Alphen-Chaam heeft op 16 juli 2019 het ontwerpbestemmingsplan 'De Ligt IV' vrijgegeven voor ter inzagelegging. De publicatie van het ontwerpbestemmingsplan heeft gestaan in 'Ons Weekblad' van 2 augustus 2019 en 16 augustus 2019. De publicatie in de Staatscourant heeft plaatsgevonden op 19 juli 2019. Tevens is de bekendmaking geplaatst op de website van de gemeente Alphen-Chaam en is middels een nieuwsbrief de buurt hier over geïnformeerd. Het ontwerpbestemmingsplan 'De Ligt IV' in Alphen heeft van 23 juli 2019 tot en met 2 september 2019 voor eenieder te inzage gelegen.

Op het ontwerpbestemmingsplan zijn 8 zienswijzen ingediend. Alle ingediende zienswijzen zijn ontvankelijk. In de Nota van Zienswijzen zijn de ingediende zienswijzen samengevat en beantwoord. De Nota van Zienswijzen is opgenomen als Bijlage 17 bij de toelichting. De ingediende zienswijzen hebben geleid tot de volgende aanpassingen van het bestemmingsplan:

  • In de regels en de verbeelding wordt vastgelegd dat er maximaal 80 nieuwe woningen zijn toegestaan;
  • Een nieuwe stikstofberekening met de Aerius-Calculator is uitgevoegd. De resultaten en conclusies zijn opgenomen in paragraaf 4.7. De nieuwe berekeningen zijn opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting;
  • De 'Visie dorpsrand-oost Alphen' is aangevuld met een andere onderbouwing van de inpasbaarheid van de gestapelde woningen in het landschapspark. De aangevulde visie is opgenomen als Bijlage 1 bij de toelichting;
  • De afweging van het aspect volksgezondheid is aangevuld in de paragraaf 4.15.

Tevens heeft de wijziging van het provinciaal beleid geleid tot ambtshalve wijzigingen.

Het bestemmingsplan 'De Ligt IV' is op 14 mei 2020 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Alphen-Chaam.

7.4 Herbegrenzing zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant heeft op 3 maart 2020 besloten tot wijziging van de begrenzing van het werkingsgebied 'verstedelijking afweegbaar'. De 'wijziging Interim omgevingsverordening Noord-Brabant i.v.m. het plan De Ligt IV, Alphen-Chaam' is per 3 maart 2020 in werking getreden.